Aandacht voor “Gelijke Kansen”

Niet alle leerlingen en studenten krijgen de kans het onderwijs te volgen dat bij hun niveau past. Dat stelde de Onderwijsinspectie vorig jaar april in de “Staat van het Onderwijs 2014-2015”. Zo lopen kinderen met laagopgeleide of armere ouders meer kans een lager advies te krijgen dan hun Cito-score, dan kinderen met hoogopgeleide of rijke ouders. Die laatste kinderen krijgen vaker een hoger advies dan hun Cito-score uitwijst (zie p. 23 van de Staat van het Onderwijs). Hoe kunnen we leerlingen van verschillende komaf toch dezelfde kansen geven om hun talenten ten volle te ontplooien?

Gelijke kansen om je talenten te ontplooien betekent niet alleen dat alle leerlingen recht hebben op hetzelfde onderwijs. Om dit te bereiken zouden leerlingen met een verschillende sociaal economische status ook een verschillend aanbod kunnen krijgen. In Nederland is dit in bepaalde gevallen al mogelijk:  leerlingen in het basisonderwijs met ouders die een beperkte of ‘lage’ opleiding hebben genoten tellen in bepaalde gevallen zwaarder mee in de financiering dan leerlingen met hoger opgeleide ouders. (Over de vraag welke indicator of indicatoren in de gewichtenregeling moeten worden meegenomen vindt thans overleg plaats. Zie hiervoor de Kamerbrief van 23 januari 2017 hierover.)

De vraag is of deze financiering (en vergelijkbare in de overige onderwijssectoren) voldoende is en ook welke soorten van activiteiten ontplooid zouden moeten worden om de kansen tot maximale ontplooiing ongeacht afkomst zo groot mogelijk te maken.

Via het NRO zijn er nu vier verschillende mogelijkheden om hier zicht op te krijgen.

Monitoring en evaluatie maatregelen ‘gelijke kansen’

Om te beginnen heeft het ministerie van OCW financiering beschikbaar gesteld voor de evaluatie en monitoring van maatregelen op het terrein van gelijke kansen. Deze maatregelen worden aangekondigd in het Actieplan Gelijke Kansen dat op 31 oktober 2016 naar de Tweede Kamer is gestuurd. Onderwijsinstellingen kunnen financiering aanvragen voor maatregelen op het terrein van:

  1. doorstroomprogramma’s po-vo;
  2. vrijroosteren van docenten voor coaching en begeleiding;
  3. doorstroomprogramma’s vmbo-havo en doorstroomprogramma’s vmbo-mbo;
  4. verbeteren doorstroom mbo-hbo.

Scholen kunnen vervolgens de uitvoering starten in het cursusjaar 2017-2018. Tegelijkertijd start dan een onderzoek naar deze maatregelen, zo is de bedoeling. Zie hiervoor de ‘call for proposals’.

Startimpuls Nationale Wetenschapsagenda

Een andere invalshoek waarin ook gelijke kansen aan de orde komen, biedt de Startimpuls Nationale Wetenschapsagenda. Voor drie routes binnen de Nationale Wetenschapsagenda is financiering beschikbaar voor onderzoek in het kader van ‘jongeren in een veerkrachtige samenleving’.

Binnen de NWA-route ‘Jeugd in ontwikkeling, opvoeding en onderwijs’ wordt dit uitgewerkt door de beide boegbeelden van deze route: Judi Mesman (Universiteit Leiden) en Monique Volman (UvA). Zij nemen hierbij het onderwerp ‘diversiteit en ongelijkheid’ als uitgangspunt. Inmiddels hebben zij in samenwerking met andere deskundigen daarbinnen vijf thema’s onderscheiden:

  1. Sociale cohesie in de klas
  2. Culturele sensitiviteit van professionals in jeugd en onderwijs
  3. Buitenschools leren en ongelijkheid
  4. Verbinding onderwijs en jeugdzorg
  5. (On)gelijkheid in jeugdgezondheid(szorg)

Zowel deskundigen uit het onderzoek (universiteiten, hogescholen en andere kennisinstellingen) als betrokkenen uit de praktijk kunnen zich aanmelden om de uitwerking van deze ideeën ter hand te nemen. Zie hiervoor de uitnodiging voor deelname.

Comeniusbeurzen

Een derde benadering van de gelijkekansenproblematiek vindt plaats binnen de Comeniusbeurzen. Op 6 maart hebben tien ‘Teacher Fellows’ uit het hoger onderwijs een beurs van € 50.000 gekregen waarmee zij in het studiejaar 2017-2018 een innovatieve aanpak van het onderwijs zullen doorvoeren. De tien projecten die dit jaar starten zijn gericht op het bevorderen van gelijke kansen voor alle studenten in het hoger onderwijs. Hierbij is overigens begeleidend onderzoek geen verplichting; wel zijn de ideeën mede gebaseerd op wetenschappelijke inzichten.

Programma 2016-2019

Ten slotte biedt het NRO-programma 2016-2019 aangrijpingspunten om aandacht te besteden aan de bevordering van kansen tot optimale ontplooiing. Zie hiervoor bijvoorbeeld hoofdstuk 6 over de onderwijs en levensloop. In het komende half jaar zal het NRO diverse calls for proposals publiceren waarvoor dit programma het uitgangspunt vormt. Via onze nieuwsbrief en op de overzichtspagina zullen deze worden aangekondigd.

Kortom: op verschillende manieren zal er de komende tijd met onderzoek beter inzicht verkregen kunnen worden in de mogelijkheden om leerlingen en studenten uit specifieke doelgroepen een optimale ontplooiing te bieden. De komende jaren hopen we hiervan de resultaten te kunnen delen.

Jelle Kaldewaij, directeur NRO