Beleidsdoorlichting hoger onderwijs openbaar

De resultaten van de beleidsdoorlichting hoger onderwijs zijn toegezonden aan het ministerie van OCW en de Tweede Kamer. De beleidsdoorlichting bevatte zowel een doorlichting van beleid van 2015-2018 als handreikingen voor (evaluatie van) beleid met het oog op de komende Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek 2020-2024.

Eind 2018 kreeg het NRO het verzoek van het Ministerie van OCW om de beleidsdoorlichting hoger onderwijs uit te laten voeren. Deze beleidsdoorlichting richtte zich, mede in het licht van de ‘Operatie Inzicht in Kwaliteit’ (van het ministerie van Financiën), zowel op inzicht in de resultaten van beleid als ook het daadwerkelijk verbeteren van deze resultaten. Daartoe zijn drie sporen in gang gezet, onder regie van de door het NRO ingestelde Commissie beleidsdoorlichting hoger onderwijs. De onderzoeken hiervoor zijn uitgevoerd in opdracht van het NRO.

Drie samenhangende deelrapporten

De resultaten van de beleidsdoorlichting zijn aan het ministerie van OCW aangeboden in de vorm van drie samenhangende deelrapporten. Spoor 1 betreft onderzoek naar ‘inzicht in de impact van beleid’ uitgevoerd door de SEO Economisch Onderzoek. Spoor 2 betreft onderzoek naar ‘sturing en beleidsinstrumentanalyse’, uitgevoerd door het Center for Higher Education Policy Studies (CHEPS). De Commissie beleidsdoorlichting hoger onderwijs heeft de kwaliteit van deze onderzoeken op onafhankelijke wijze gewaarborgd. Voor spoor 3 heeft de commissie op basis van de resultaten van Spoor 1 en 2 en de opbrengst vanuit een werkconferentie een advies geschreven over de ‘implementatie vernieuwd instrumentarium’. Conform verzoek vormt het advies in Spoor 3 input voor de Strategische Agenda Hoger Onderwijs en Onderzoek.

Inzicht in de impact van beleid

In het rapport over inzicht in de impact van beleid (Spoor 1) concludeert SEO dat het op basis van beleidsonderzoeken moeilijk is om eenduidige conclusies te trekken over doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid. De financiering van het hoger onderwijs vindt immers voornamelijk plaats via een lumpsum. De evaluaties van beleid en wetgeving betreffen (dus) slechts een klein deel van de OCW-begroting, waardoor het macrobeeld ontbreekt over de toewijzing van de middelen. Tegelijkertijd zijn er monitors, indicatoren en (internationale) benchmarks, die aantonen dat het Nederlandse hoger onderwijs over het algemeen goed presteert.

Voor een volgende beleidsdoorlichting vinden de onderzoekers het van belang om vooraf indien mogelijk eenduidige en meetbare doelen te stellen over (de verhouding tussen) kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid op basis van een beleidstheorie. Daarbij zijn evaluatiemethodes van belang als benchmarking in de tijd en met andere landen, en “benchlearning” door instellingen met elkaar te vergelijken.

Sturing en beleidsinstrumentanalyse

Uit het rapport van CHEPS over sturing en beleidsinstrumentenanalyse (Spoor 2) blijkt dat de  huidige besturingsfilosofie zich niet eenduidig laat beschrijven, c.q. diffuus is geworden. Daarnaast

kunnen bestaande beleidsinstrumenten beter benut worden als optimaal gebruik wordt gemaakt van beschikbare beleidsrelevante informatie.

Het verdient volgens de onderzoekers aanbeveling minder te sturen door middel van regelgeving en meer accent te leggen op communicatieve en transparantie-beleidsinstrumenten. Daarmee is een investering gewenst in meer technologie-gedreven methoden van dataverzameling, -analyse en -verwerking, zodat op basis daarvan een rijkere beleidsdialoog gevoerd kan worden met alle betrokken stakeholders over (de werking van) het hogeronderwijsbeleid.

Advies implementatie vernieuwd instrumentarium

De commissie beleidsdoorlichting hoger onderwijs neemt in het advies over ‘implementatie vernieuwd instrumentarium’ (Spoor 3) als uitgangspunt dat Nederland op het succes als “world-class system” (hoogvlakte) het beste kan kapitaliseren door verdere versterking van samenwerking. Dit vraagt om een hernieuwde sturingsbalans, oftewel een heldere, gedeelde en toekomstbestendige sturingsfilosofie. Daartoe zijn twee processtappen van belang. Ten eerste het verhelderen van het kader van (exclusieve en gedeelde) verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Ten tweede het doordenken van de sturingsfilosofie en beleidsinstrumentarium in Europees en internationaal perspectief.

Qua beleidsterreinen richt de commissie de aandacht op toegankelijkheid vanwege onevenwichtige deelname, doorstroom en studiesucces van verschillende bevolkingsgroepen in samenhang met sociaaleconomische ongelijkheid. Wat betreft doelmatigheid wijst de commissie op het belang van verdere flexibilisering en beter inspelen op de behoeften van de student.

Meer informatie