Brief Commissie-Steur en rapport Cito over ontwikkeling PISA- en examenresultaten VO openbaar

De Commissie-Steur heeft aan minister Slob de antwoorden gestuurd op vragen van de Tweede Kamer over de ontwikkeling van de PISA- en examenresultaten in het voortgezet onderwijs in de afgelopen tien jaar. In 2018 signaleerde de Tweede Kamer een discrepantie tussen beide: de Nederlandse PISA-resultaten daalden, waar de nationale examenresultaten stabiel bleven dan wel stegen. Wat zegt dit over de ontwikkeling van de vaardigheden van scholieren? Dat is nu uitgezocht.

De commissie, waarvan het NRO het secretariaat voerde, heeft het onderzoek ingericht langs de volgende hoofdvragen:

  1. Kunnen de kwaliteit van de examens en de ontwikkeling van de vaardigheden van scholieren optimaal worden vastgesteld en gevolgd?
  2. Wat valt er –met de nuance vanuit het antwoord op hoofdvraag 1- te zeggen over de ontwikkeling van die vaardigheden in de afgelopen tien jaar?

De conclusies van de commissie zijn te lezen in de brief van de Commissie-Steur aan de minister en het onderliggende rapport van Cito, en worden hieronder kort behandeld.

Hoofdvraag 1 – Kunnen de kwaliteit van de examens en de ontwikkeling van de vaardigheden van scholieren optimaal worden vastgesteld en gevolgd?

Het beknopte antwoord op deze eerste hoofdvraag is: ja, voor wat betreft de normering hebben het CvTE en het Cito de juiste middelen in handen om de kwaliteit van het centraal examen (CE) over de jaren heen te waarborgen en te monitoren. Dit geldt in ieder geval voor de vakken waarbij de meer geavanceerde methoden voor normhandhaving (“N-termprocedure”) mogelijk zijn – deze worden toegepast bij de meeste examens voor de grootste groepen leerlingen. Meer transparantie over de beslissingen in deze procedure, hoewel complex, kan bijdragen aan het vertrouwen daarin.

Het CE en PISA zijn op verschillende aspecten niet vergelijkbaar. Ze meten verschillende vaardigheden en leerlingen zijn gemotiveerder voor het CE dan voor PISA. Het feit dat de ontwikkeling van de resultaten van deze twee soorten toetsen van elkaar kan afwijken, zegt daarom niets over de vaardigheidsontwikkeling van de leerlingen in het algemeen.

Hoofdvraag 2 – Wat valt er te zeggen over de ontwikkeling van die vaardigheden in de afgelopen tien jaar?

Voor deze tweede hoofdvraag is de conclusie van de commissie dat de vaardigheden van leerlingen qua niveau, zoals getoetst door het CE, in de afgelopen tien jaar gelijk gebleven zijn of zijn toegenomen. De ontwikkelingen rondom de examens in het voortgezet onderwijs en de afnames van PISA in de afgelopen tien jaar laten zien dat de resultaten op het CE stabiel zijn gebleven en op een aantal onderdelen zijn verbeterd. Het SE laat een stabiel beeld zien met een paar afwijkingen, meestal naar boven. Tegelijkertijd zijn de PISA-scores gelijk of (duidelijk) afgenomen, ook in vergelijking met de overige OESO-landen.

Als overkoepelende verklaring voor de betere leerlingenresultaten op het centraal examen, draagt de commissie aan dat het belang van het CE is toegenomen.

Slotopmerkingen aan de minister 

Al met al zijn de resultaten behaald op het CE in de afgelopen tien jaar stabiel gebleven of verbeterd. De verbetering wijst op een toegenomen vaardigheidsniveau van de leerlingen; de leerlingen bezitten op een aantal gebieden meer kennis en vaardigheden binnen de gedefinieerde examendomeinen. De commissie heeft de stellige indruk dat de sterke focus op het examen, en de start van het schoolexamen in de voorexamenklassen, naast betere resultaten tegelijk een versmalling van het onderwijs heeft opgeleverd met een te grote nadruk op het behalen van goede toetsresultaten (‘teaching to the test’).

Het belang van het CE als objectief ijkpunt voor het behaalde opleidingsniveau door leerlingen is evident. De commissie stelt wel de vraag of het hier een ‘natuurlijke’ afsluiting van een opleiding betreft of dat het examen tegenwoordig zijn schaduw zozeer vooruit werpt, dat het examen het bovenbouwonderwijs in het VO in hoge mate is gaan bepalen. De commissie doet minister Slob de aanbeveling om, door middel van nader onderzoek, in het VO na te gaan hoe groot het gewicht en de uitstraling is van het CE voor het dagelijkse onderwijs (inclusief de invulling van het SE) en – als dit gewicht erg groot is, zoals verondersteld – te overwegen of dit consequenties zou moeten hebben voor de aard, de invulling en de omvang van het SE en het CE in het voortgezet onderwijs.

Wat vooraf ging

Begin 2018 bleek de Tweede Kamer meer inzicht te willen in:

  • de vaardigheidsontwikkeling van Nederlandse scholieren (voortgezet onderwijs) in de afgelopen tien jaar, tenminste in de vakken wiskunde en Engels
  • de mate waarin het gebruik van de N-termen -en mogelijke andere factoren- het beeld op deze ontwikkeling bevorderen of bemoeilijken.

In de motie-Van Meenen c.s. vroeg de Tweede Kamer daarom om onderzoek hiernaar. Het Cito heeft dit nadere onderzoek uitgevoerd, in nauwe samenwerking met het College voor Toetsen en Examens (CvTE). De commissie-Steur heeft aanvullend gesprekken gevoerd met het CvTE, de VO-raad, de Inspectie van het Onderwijs en een aantal panels van bestuurders en schoolleiders. Het NRO ondersteunde de commissie en waarborgde de onafhankelijkheid van het onderzoek.

Meer informatie