Capaciteiten van autochtone achterstandsleerling nog onbenut: multi-aanpak gewenst

Autochtone achterstandsleerlingen hebben nog voldoende potentieel in zich om betere onderwijsresultaten te kunnen behalen. Een combinatie van maatregelen zou deze kinderen daarbij kunnen helpen. Er is namelijk niet één oorzaak; een combinatie van factoren draagt bij aan het ontstaan en in stand houden van de achterstand. Dit blijkt uit onderzoek door het ITS (Radboud Universiteit Nijmegen) en het Kohnstamm Instituut (Universiteit van Amsterdam).

Behalve dat autochtone achterstandsleerlingen lagere cognitieve capaciteiten hebben, spelen vooral lage verwachtingen van de leerkracht een rol, evenals lage betrokkenheid van de ouders bij het onderwijs.
Een deel van de oplossing ligt dan ook in die richting: scholen zouden bijvoorbeeld kunnen nagaan en bespreken of de verwachtingen van leraren over leerlingen erg worden beïnvloed door het beeld van het gezin, en of onderwijsondersteunende activiteiten van ouders wel genoeg worden bevorderd. Voor dit laatste blijkt een voedingsbodem aanwezig: in een vragenlijst die de onderzoekers afnamen, zegt ruim 60 procent van de ouders van doelgroepleerlingen te hopen en verwachten dat hun kind een hoger opleidingsniveau afmaakt dan zijzelf hebben gedaan.

Andere weging van achterstand gewenst

Veel scholen, vooral op het platteland, geven aan dat ze er financieel op achteruit gaan doordat het opleidingsniveau van ouders langzaamaan stijgt. Hun kinderen komen daardoor niet meer in aanmerking voor een ‘gewicht’, en de school krijgt minder extra budget voor achterstandsleerlingen uit de zogeheten gewichtenregeling. Maar de problematiek blijft vaak hetzelfde. Net als de Onderwijsraad in 2013, pleiten de scholen uit dit onderzoek ervoor het maximale opleidingsniveau van de ouders op te trekken tot mbo1,2. Daarmee krijgen scholen weer meer budget tot hun beschikking om de achterstanden van leerlingen terug te dringen.
De onderzoekers tekenen hierbij wel aan dat scholen het beschikbare budget beter zouden kunnen benutten. Niet altijd is op scholen bekend wie de autochtone doelgroepleerlingen zijn, of worden de gewichtenmiddelen specifiek voor deze leerlingen ingezet.

Stapeling van problematiek

Het onderzoek bevestigt de verklaringen die het Sociaal-Cultureel Planbureau al in 2003 opperde voor de achterstanden onder autochtone leerlingen van laag opgeleide ouders. Nieuw in dit onderzoek is dat naar de combinatie van factoren  (“stapeling van problematiek”) is gekeken: autochtone doelgroepleerlingen groeien vaker dan niet-doelgroepleerlingen op in een taalarme omgeving, hebben minder ouderlijke hulpbronnen, komen vaker uit multi-probleem gezinnen, beschikken over minder niet-schoolse capaciteiten, bezoeken minder vaak een vve-instelling, hebben vaker gedrag- en leerproblemen, zitten vaker op scholen met ongunstige kenmerken en wonen in regio’s waar de arbeidsmarkt niet om hoge(re) opleidingen vraagt.
Alleen dat sprake zou zijn van ‘uitgeput talent’ bij de autochtone doelgroepleerlingen, zoals het SCP in 2003 opperde, wordt níet bevestigd door de onderzoekers. Integendeel: zij concluderen dat de rek er nog niet uit is en er ook bij de autochtone doelgroepleerlingen nog potentieel zit.

Over het onderzoek

Het onderzoek ‘De achterstand van autochtone doelgroepleerlingen. Oorzaken en aanpak’ werd gefinancierd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) binnen het beleidsgericht onderwijsonderzoek. De onderzoekers van het ITS en Kohnstamm Instituut deden onder meer literatuuronderzoek, interviewden directeuren en leerkrachten, en namen vragenlijsten af onder een klein aantal ouders.

> naar het onderzoeksrapport ‘De achterstand van autochtone doelgroepleerlingen. Oorzaken en aanpak’ (pdf)
> meer informatie over het onderzoek via Lia Mulder (ITS), telefoon 024 3653547, l.mulder@its.ru.nl.