“CPB zit ernaast, of NRO doet zijn werk niet goed”: een rare keuze

Sommige conclusies in het CPB-rapport Kansrijk Onderwijsbeleid hebben tot flinke discussies geleid. Stevige kritiek werd geuit door Herman van de Werfhorst en Thijs Bol aan de hand van het voorbeeld: ‘homogene groepen in het basisonderwijs zijn beter’. Ferry Haan legt in zijn blogpost op Didactiefonline een relatie met het werk van het NRO en betrekt de stelling dat ófwel het CPB te weinig profiteert van inzichten die het onderzoek van het NRO oplevert ófwel dat het NRO inferieur onderzoek subsidieert. Dit is een onjuiste tegenstelling die om een reactie vraagt.

Het NRO stelt niet een bepaald onderzoek voorop: het soort onderzoek is afhankelijk van het doel dat men met het onderzoek wil bereiken. Beschrijvend of verkennend onderzoek vraagt om andere methodes dan relationeel onderzoek, verklarend onderzoek of actieonderzoek. Ook benadrukt het NRO dat onderwijs vanuit verschillende theoretische perspectieven kan worden bestudeerd. Zie het NRO onderzoeksprogramma voor de periode 2016 – 2019 (p. 7):

“Veel onderwijsonderzoek is dan ook multidisciplinair. Bij het uitvoeren ervan kunnen bijdragen verwacht worden vanuit diverse wetenschappen, zoals onderwijskunde, pedagogiek, vakdidactiek, economie, sociologie, geschiedenis, cognitieve neurowetenschappen, psychologie, bestuurskunde, ethiek en rechten.”

Als Ferry Haan zich afvraagt ‘waar het NRO is’ in het debat tussen economen en sociologen over wat goed onderwijsonderzoek is, maakt dit misschien enigszins inzichtelijk dat het NRO daarop een brede visie aanhoudt.

Doelstellingen

Het CPB beperkt zich in zijn rapport sterk tot een specifieke doelstelling en geeft dat ook keurig aan. Het gaat het CPB om beleidskeuzes die de komende tijd gemaakt zouden kunnen worden in Nederland en de vraag wat dat oplevert in termen van leerwinst. Dit verschilt al danig van de doelstellingen van veel onderzoek dat het NRO subsidieert. Het meeste geld van het NRO gaat naar praktijkgericht onderzoek waarbij de vragen komen uit de onderwijspraktijk. Vaak gaat het om de vraag ‘wat werkt en waarom?’ voor specifieke onderwijssituaties, waarbij de inzichten ook relevant kunnen zijn voor scholen die niet aan het onderzoek deelnemen.
Neem het project ‘Meetkunde uit de kunst in de klas’. Binnen dit project werken leerkrachten, onderzoekers en medewerkers van de educatieve afdelingen van een museum samen. Zij onderzoeken in hoeverre een combinatie van reguliere rekenlessen en kunsteducatielessen in het museum, kan worden ingezet om het creatief-probleemoplossend vermogen en de rekenvaardigheden van leerlingen in groep 6-8 te versterken. Dit onderzoek gaat wellicht het basisonderwijs in kwaliteit verhogen, maar het gaat niet over het Nederlands onderwijsbeleid.

Experimenten

Het NRO subsidieert overigens ook (quasi)experimenteel onderzoek naar effectiviteit van interventies. Zo worden nu -op verzoek van het ministerie van OCW- een aantal anti-pestprogramma’s op deze wijze onderzocht op hun effectiviteit. Ook het genoemde meerjarenprogramma van het NRO biedt mogelijkheden voor dit soort onderzoek, maar dan wel in concurrentie met allerlei ander onderzoek.

De middelen van het NRO zijn tot nu toe helaas te gering om behalve excellente, ook (zeer) goede onderzoeksvoorstellen te honoreren. Dat leidt begrijpelijkerwijs tot frustratie. En er is behoefte aan veel meer onderzoek van deze aard, bij voorkeur in de Nederlandse situatie, omdat dan ook de typisch Nederlandse context kan worden meegewogen.
Lex Borghans, Trudie Schils en Inge de Wolf laten in ESB in een beschouwing over experimenten mooi twee dingen zien: namelijk 1)  dat experimenten een goede onderbouwing kunnen geven van wat werkt en wat niet (mits stevig verbonden aan, en rekening houdend met, de onderwijspraktijk); en 2) ook dat het nog ingewikkeld is om te bepalen welke experimenten informatie opleveren voor onderwijsverbetering. Dit roept eigenlijk om een verbeterde versie van Onderwijs Bewijs.

Grote stappen

Er is nog een andere beperking in de werkwijze van het CPB. Volgens de inleiding bij Kansrijk Onderwijsbeleid baseert het zich op empirische studies ((quasi-)experimenteel), indicatorenstudies, theoretische argumenten en modellen, én is het beperkt tot het verbeteren van de leerprestaties. Dat levert terechte en stevige conclusies op: vergroten van ouderbetrokkenheid -bij huiswerk bijvoorbeeld- helpt de resultaten van kinderen vooruit, en ook het effect van een goede docent is groot. Zolang we deze beperkingen bij het lezen in het achterhoofd houden, is er weinig mis mee.
Al is het op diverse plaatsen wel de vraag of er geen onderzoek over het hoofd is gezien. Dit geldt bijvoorbeeld voor de gewraakte stelling dat homogene groepering bevorderlijk zou zijn. En het levert bij veel thema’s een ‘grote stappen, snel thuis’-gevoel op: vanuit deze benadering is er over veel aspecten van onderwijs weinig te zeggen en dat gebeurt dus ook niet.

Andere publicatie

Was de ambitie geweest om een weloverwogen keuze te maken uit alle beschikbare (wetenschappelijke) informatie om enkele voor de politiek relevante keuzes te bediscussiëren vanuit diverse gezichtspunten, en om niet alleen te kijken naar cognitieve onderwijsprestaties maar ook naar andere doelstellingen en naar andere (on)gewenste effecten van onderwijs, dan zou dat een heel andere publicatie opgeleverd hebben.
Zowel voor een CPB-achtig-boek als voor een boek met beschouwingen van meerkleurige aard, verwacht ik dat in de toekomst (de eerste subsidies zijn uitgekeerd in 2014!) door NRO gesubsidieerd onderzoek goede bouwstenen zal leveren.

Jelle Kaldewaij, directeur NRO