Profiteren jongens en meisjes vergelijkbaar van bewegend leren?

Kinderen profiteren van bewegend leren omdat het een positieve invloed heeft op voor leren belangrijke hersenactiviteiten en daardoor op de leerprestaties. Bewegend leren met daartoe ontwikkelde programma’s als Fit en Vaardig leidt – ook op langere termijn – tot leerwinst bij zowel rekenen als taal. Er is nog maar weinig onderzocht of bewegend leren tot verschillende opbrengsten bij jongens en meisjes leidt. De publicaties die wel sekseverschillen noemen, geven aan dat meisjes meer profiteren, zonder dat te verklaren.  Bij Playing for Success, een programma met buitenschoolse sportactiviteiten, wordt in een enkel geval indirect verwezen naar sekseverschillen. Teruggetrokken kinderen of kinderen met internaliserende gedragsproblemen profiteren het meest van die activiteiten. Uit onderzoek is bekend dat meisjes vaker internaliserende gedragsproblemen hebben dan jongens.

Hoe kun je bevorderen dat meer vmbo-leerlingen kiezen voor bèta-techniek?

Jongeren in het vmbo hebben een te beperkt beeld van techniek en een beeld dat slecht past bij hoe zij zichzelf zien. Veel jongeren zien onvoldoende dat techniek nuttig en interessant kan zijn. Ook heeft techniek het imago moeilijk te zijn en meer iets voor jongens dan voor meisjes. Toch kunnen technische opleidingen en beroepen aantrekkelijker worden gemaakt. Door leerlingen (technisch) zelfvertrouwen te laten ontwikkelen en hen in contact te brengen met allerlei facetten van techniek. Zo kunnen zij een breder en realistischer beeld ontwikkelen van techniek en van de benodigde competenties. Vervolgens is het belangrijk dat zij op die ervaringen reflecteren en ze verbinden met hun zelfbeeld in loopbaangesprekken. Ook de omgeving van de leerling moet daarbij worden betrokken. Ouders en leeftijdgenoten spelen een belangrijke rol bij loopbaankeuzen.

Welke factoren beïnvloeden het schoolloopbaansucces in het voortgezet onderwijs van leerlingen met gedragsproblemen en/of psychiatrische problemen die uitstromen uit het speciaal (basis)onderwijs?

Intelligentie is een belangrijke voorspeller van schoolloopbaansucces in het regulier onderwijs. Maar het is de vraag of dat ook zo is voor kinderen met gedragsproblemen en/of psychiatrische stoornissen. Bovendien spelen executieve functies als impulsbeheersing en het reguleren van emoties, naast planning, organisatie en werkhouding ook een belangrijke rol. Een alternatief voor de IQ-test als voorspeller van schoolsucces voor deze leerlingen is de leerpotentieeltest of dynamische test. Bij dynamische tests krijgt de deelnemer tijdens het testen hulp. Of er wordt tussen twee testsessies een training gegeven. Dit geeft een goede indicatie van de ondersteuningsbehoefte van leerlingen in het vervolgonderwijs. Er zijn echter nog weinig van dergelijke tests beschikbaar voor de onderwijspraktijk.

Is een rijenopstelling beter voor leerlingen in het vmbo basis/kader dan een groepsopstelling?

Leerlingen die in rijen zitten, werken taakgerichter aan een individuele taak en hebben een betere werkhouding daarbij dan leerlingen in groepen. Zij krijgen meer werk gedaan in dezelfde tijd, omdat ze minder afgeleid zijn. De effecten zijn vooral groot voor leerlingen die snel afgeleid zijn en minder goed presteren. Voor interactieve werkvormen zijn rijen minder geschikt. Bij een hoefijzeropstelling (U) stellen leerlingen meer vragen aan elkaar en aan de docent, en is er een grotere taakgerichtheid bij het brainstormen.

Beïnvloedt ervaringsleren de examenresultaten van vmbo-leerlingen?

Onderwijs dat bestaat uit ervaringsleren en/of leren buiten de schoolmuren in combinatie met leren in de klas heeft positieve effecten op leerprestaties. Verder zijn er positieve effecten op niet-cognitieve vaardigheden zoals onderlinge samenwerking. Het gaat om buitenlands onderzoek onder leerlingen in het voortgezet onderwijs én volwassen studenten of cursisten. De resultaten kunnen daarom mogelijk niet een-op-een naar vmbo-leerlingen worden vertaald.

Is er samenhang tussen handschriftproblemen en leesproblemen bij kinderen in groep 3 en 4? Bij welke schrijfoefeningen hebben kinderen met gecombineerde lees- en handschriftproblemen baat?

Er is geen direct oorzakelijk verband tussen leesproblemen en handschriftproblemen. Wel zien we vaak dat kinderen met leesproblemen ook meer moeite hebben met schrijven. Belangrijk is onderscheid te maken tussen schrijfproblemen veroorzaakt door cognitieve en didactische factoren (problemen met klank/letterkoppeling) en schrijfproblemen door motorische factoren (problemen met de schrijfbeweging). Wanneer kinderen met leesproblemen handschriftproblemen hebben, is het goed om bij het oefenen van de schrijfbeweging de koppeling met lezen en spellen zo veel mogelijk los te laten. En te focussen op het oefenen van losse letters en vormen.

Op welke manier is het in beeld brengen van de klantbeleving van leerlingen/ studenten en van andere betrokkenen als ouders, aanleverende scholen, bedrijfsleven, toepasbaar in een onderwijsinstelling?

Deze vraag betreft een gebied waarbinnen nog niet veel onderzoek is verricht. Onderzoek is vooral in de VS gedaan en dan merendeels binnen het hoger en wetenschappelijk onderwijs. Daar spitsen onderzoekers zich toe op de vraag in hoeverre leerlingen/ studenten überhaupt klanten zijn of zich klanten voelen. Binnen het hoger beroepsonderwijs in Estland is een concreet model ontwikkeld om gegevens over klantbeleving in beeld te brengen.

Wat verklaart verschillen in ontwikkeling van mondelinge tweedetaalverwerving bij vluchtelingenkinderen ouder dan 6 jaar zonder taalontwikkelingsstoornis?

Snelle verwerving van de omgevingstaal is cruciaal voor nieuwkomers. Wat voorspelt hoe snel kinderen de nieuwe taal oppikken, is afhankelijk van kindfactoren en omgevingsfactoren, en de interactie tussen die twee. Voorspellende kindfactoren zijn bijvoorbeeld taalaanleg en werkgeheugen. De belangrijkste omgevingsfactoren zijn de hoeveelheid en kwaliteit van het taalaanbod. Een rijk taalaanbod (in de eerste en in de tweede taal) afgestemd op de vaardigheden van het kind, en veel mogelijkheid tot interactie, zijn bevorderlijk voor de tweedetaalontwikkeling.

Wat is de invloed van werken met tablets op de lichamelijke ontwikkeling en de leeropbrengsten van cluster 4 leerlingen?

Langdurig werken met tablets kan leiden tot lichamelijke klachten. Daarnaast lijkt nabijwerk, activiteiten die gedaan worden op korte werkafstand, bijziendheid te kunnen veroorzaken. Nabijwerk kan echter ook het lezen van een boek zijn, of het maken van huiswerk. Zorgen voor afwisseling met buiten spelen is vaak het advies. Onderzoek naar de effecten van werken met tablets op de leeropbrengsten van cluster 4 leerlingen toont eerste positieve resultaten. Maar meer onderzoek is nodig om deze te bevestigen.

Kunnen leernetwerken van schoolleiders bijdragen aan hun professionele ontwikkeling? Hoe moeten deze dan worden opgezet en ingericht?

Leren in leernetwerken biedt een goede insteek voor de professionalisering van schoolleiders. Het is een vorm van informeel leren die tegemoetkomt aan hun leerwensen. Voorwaarden voor effectiviteit zijn: koppeling theorie en praktijk, intensieve, actieve opdrachten in de school en input van experts. Ook is het wenselijk dat de deelnemers de gezamenlijke leerdoelen, leerinhouden en werkvormen mede bepalen. Inhoud en werkwijze moeten worden afgestemd op de loopbaanfase van de deelnemers. Ervaren schoolleiders hebben andere behoeften en voorkeuren dan startende schoolleiders. Binnen zo’n gemengd netwerk kan het zinvol zijn op onderdelen te werken in homogene subgroepen of juist in koppels van ervaren en minder ervaren schoolleiders.

Leidt betrokkenheid van leerlingen bij onderwijsinterventies tot meer motivatie en betere leerresultaten?

Leerlingen bij onderwijsinterventies betrekken, kan bijdragen aan hun motivatie en leerresultaten. Door de inhoud van onderwijsinterventies tussen docenten en leerlingen af te stemmen wordt het eigenaarschap van leerlingen aangesproken. Zo wordt ook een beroep gedaan op hun intrinsieke motivatie. Die motivatie heeft een gunstig effect op leerresultaten. Er zijn echter ook allerlei andere factoren van invloed. Daarom gaat de betrokkenheid van leerlingen bij interventies niet altijd gepaard met meer motivatie en betere leerresultaten.

Welke invloed heeft taalvaardigheid op de doorstroom naar en studiesucces in het hbo van mbo’ers tot 25 jaar uit achterstandsgroepen?

Gezien de zorgen over het taalniveau van mbo-studenten en de verschillen in taalgebruik op mbo en hbo adviseert een expertgroep van de MBO Raad specifiek aandacht te hebben voor taal op mbo en hbo. Of en zo ja welk effect dat (samen met andere factoren) heeft op hun studiesucces, zou dan nader onderzocht moeten worden. Want nu is naar de precieze rol van taalvaardigheid bij de doorstroom van mbo naar hbo nog geen onderzoek gedaan. Wel is bekend uit studies onder kinderen en jongeren dat taal invloed heeft op prestaties en uiteindelijk op studiesucces.

Hoe kunnen scholen en educatieve partners effectief samenwerken op het gebied van gezondheid en sport, techniek, cultuur en natuur?

Effectieve samenwerking tussen scholen en verschillende educatieve partners kent de volgende gemeenschappelijke succesfactoren: visie, leiderschap en coördinatie, structurele communicatie, draagvlak, aandacht voor (financiële) randvoorwaarden, gezamenlijke ontwikkeling van activiteiten en producten. Een causale relatie tussen een goede samenwerking en het behalen van doelen van de samenwerking is nog niet overtuigend aangetoond.

Met welke leermiddelen kunnen leerlingen in het praktijkonderwijs digitale geletterdheid ontwikkelen? En hoe kunnen hun vorderingen worden getoetst?

Scholen voor praktijkonderwijs kunnen het beste digitale vaardigheden aanleren als onderdeel van andere onderwijsactiviteiten. Een specifiek leermiddel is daarom niet nodig. Er zijn nog geen toetsen beschikbaar waarmee scholen de ontwikkeling van de digitale geletterdheid in kaart kunnen brengen. Wel kunnen scholen daarvoor uitwerkingen van digitale geletterdheid van Kennisnet of ICILS als checklist gebruiken.