Wat is het effect van de bestuurlijke inrichting in het primair onderwijs op de kwaliteit van het bestuur en op de leeropbrengsten van leerlingen in brede zin?

 PO | Schoolorganisatie

Schoolbesturen hebben verschillende kenmerken. Besturen die over één school gaan, lijken zowel voor- als nadelen te hebben. Een keuze voor een specifiek bestuursmodel (functionele of organieke scheiding van bestuur en toezicht) is vermoedelijk van minder belang dan bezinning op een passende relatie tussen bestuur en intern toezicht. Onderwijsresultaten zijn beter op scholen met verbindende en ondersteunende besturen. Al met al laat het vrij schaarse onderzoek naar bestuurlijke inrichting van scholen lastig algemene uitspraken toe.

De wettelijke verantwoordelijkheid voor een school ligt bij het schoolbestuur. Vooral in het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) komen eenhoofdige besturen voor (waar de bevoegdheid ligt bij één persoon). Daarnaast gaat ruim vier op de tien van de besturen in po en vo over één school; zogenoemde eenpitters.

Naast bestuursgrootte is de scheiding tussen bestuur en toezicht een aspect van de bestuurlijke inrichting. Er zijn twee bestuursmodellen te onderscheiden, een functioneel en een organiek. Wanneer bestuurlijke en toezichthoudende taken binnen het bestuur zijn verdeeld, is sprake van een functionele scheiding van bestuur en toezicht. Is het toezicht buiten het bestuur georganiseerd, via bijvoorbeeld een Raad van Toezicht, dan is de scheiding van bestuur en toezicht organiek.

Effecten van bestuurlijke inrichting op bestuurlijke kwaliteit

Steeds meer schoolbesturen werken volgens de Code Goed Bestuur. Vooral eenpitters lijken moeite te hebben om daaraan te voldoen. Dat wil echter niet zeggen dat ze geen bestuurlijk vermogen hebben. Bij eenpitters is er een sterker onderling vertrouwen en een meer gedeelde visie tussen bestuurders en directie, dan bij meerpitters. Wellicht maakt een kleinere schaal het makkelijker om tot overeenstemming te komen. Daarnaast blijken de onderzochte eenpitters veelal een specifieke grondslag en/of een lange traditie te hebben.

Vergelijkend onderzoek naar bestuursmodellen in het onderwijs is niet voorhanden. De Inspectie van het Onderwijs heeft wel specifiek de functionele bestuursmodellen onderzocht. Ze concludeert dat uitvoerend bestuurders soms te weinig handelingsruimte hebben, dat interne toezichthouders soms onvoldoende onafhankelijk zijn en dat niet iedereen voldoende inzicht heeft in wettelijke kaders.

Vergelijkend onderzoek buiten het onderwijs naar functionele en organieke besturen levert gemengde resultaten op. Aspecten van het functionele bestuursmodel zijn meer betrokkenheid, minder rolscheiding, minder onafhankelijkheid en snellere informatie. Het organieke bestuursmodel kent een duidelijker rolonderscheid, meer afstand en mogelijk informatieachterstand. Het lijkt aan te bevelen om de voordelen van beide modellen te combineren en zo het bestuur te verbeteren. Nadenken over samenwerking, en een passende verhouding en relatie tussen bestuur en intern toezicht zijn belangrijker dan de keuze voor een specifiek model.

Effecten van de bestuurlijke inrichting op leeropbrengsten

Uit kwalitatieve studies valt op te maken wat werkt voor prestaties van leerlingen en wat niet. Zo lijken het sociaal kapitaal van het bestuur en het betrekken van anderen bij de bestuurlijke besluitvorming (indirect) bij te dragen aan de onderwijskwaliteit. Het betrekken van ouders en personeel bijvoorbeeld heeft een positief effect op de leerprestaties van leerlingen. Ook een focus op goed bestuur, kwaliteit, samenwerking en afstemming tussen bestuur en geledingen binnen de school dragen bij aan leeropbrengsten.

Er zijn veel richtlijnen en handreikingen beschikbaar, maar alle zeer beperkt onderbouwd met inzichten uit onderzoek. Besturen zullen zelf kritisch moeten nadenken over hoe ze willen besturen en met welke interventies ze de onderwijskwaliteit willen stimuleren. Ondersteunend zijn onder meer faciliteren van deskundigheidsbevordering, schoolleiders helpen bij onderwijsvraagstukken en extra mensen of middelen inzetten. Interveniëren door ingrijpen (bijvoorbeeld met sancties) lijkt het minst effectief, vooral omdat dit het onderling vertrouwen kan schaden.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Ander relevant Kennisrotonde-antwoord:

Hoe kom je tot verticaal alignment in het onderwijs?

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Niek van den Berg (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij heeft hiertoe Vinitha Siebers (onderzoeker governance) geconsulteerd.

Onderwijssector
PO

Vraagsteller
onderwijsstichting - directeur-bestuurder

Gerelateerde vragen:

Hoe kom je tot verticaal alignment in het onderwijs?
 PO | VO | MBO | Professionalisering | Management | Leergemeenschappen | Schoolorganisatie
Verticaal alignment is geen doel op zich, maar is gericht op beter onderwijs en het leren van kinderen. Om alignment, oftewel verbinding en afstemming te bereiken tussen de verschillende lagen betrokkenen in het onderwijs, is het creëren en onderhouden van eigenaarschap van al die betrokkenen een sleutelfactor. Zo kunnen ze samen werken aan gemeenschappelijk doelen. Daarbij moet er aandacht zijn voor de verschillende rollen van de betrokken mensen en organisaties. En het is nodig een kwaliteitscultuur te creëren waarbinnen men ruimte en vertrouwen voelt om kennis te delen en te innoveren.
Lees verder

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag