Hoe krijgt loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) vorm en wat is het effect van LOB op loopbanen van vo-leerlingen?

shutterstock_335554262-1

De ontwikkeling van een arbeidsidentiteit en van loopbaancompetenties zijn kernelementen van LOB. Dat leer je niet uit een boek. Het vraagt om een krachtige loopbaangerichte leeromgeving die keuzemogelijkheden biedt. En het vereist een begeleiding in dialoog, gericht op reflectie en betekenisgeving van de opgedane (werk)ervaringen. Deze werkwijze is in de praktijk echter nog geen gemeengoed.

Om binnen een veranderende arbeidsmarkt te kunnen functioneren moeten jongeren een arbeidsidentiteit ontwikkelen. Zij moeten kunnen nadenken over hun mogelijkheden, kansen en wensen, en deze herkennen zodra ze zich voordoen. Daarvoor is het belangrijk dat zij over de volgende vijf loopbaancompetenties beschikken:

  • Kunnen bedenken welke capaciteiten van belang zijn voor de loopbaan.
  • Nadenken over motieven die belangrijk zijn voor de eigen loopbaan.
  • Werk en mobiliteit kunnen onderzoeken.
  • Het leer- en werkproces loopbaangericht kunnen plannen en beïnvloeden.
  • Netwerken.

Leerervaringen

Om loopbaancompetenties en een arbeidsidentiteit te ontwikkelen moeten leerlingen levensechte praktijkervaringen kunnen opdoen. Zij moeten ook invloed kunnen uitoefenen op zowel de inhoud, voortgang als evaluatie van hun loopbaanleerproces. Ten slotte is het belangrijk dat zij op basis van vertrouwen in dialoog kunnen gaan met bijvoorbeeld een mentor of docent over hun leerervaringen.

Een traditionele loopbaanbegeleiding zonder dialoog draagt niet bij aan de ontwikkeling van een loopbaanidentiteit en leermotivatie. Ook is er dan geen sprake van een match tussen capaciteiten en studie- en arbeidsloopbaankeuzen. Een goede loopbaandialoog legt een relatie tussen de ervaringen van leerlingen op school en daarbuiten, en hun levens- en arbeidsloopbaan.

Aanbod LOB

Een degelijk aanbod aan LOB biedt geen garantie dat studenten de juiste keuze maken. Toch kan LOB wel een aanzienlijk verschil maken. Onder leerlingen in het voortgezet onderwijs die een zeer compleet LOB-pakket hebben gehad, is de uitval in het vervolgonderwijs beduidend lager dan gemiddeld. Goede LOB is geen garantie voor een succesvolle studiekeuze, maar het vergroot de kansen daarop beslist.

LOB moet leerlingen helpen meer inzicht te krijgen in hun mogelijkheden en drijfveren en hen helpen loopbaancompetenties te ontwikkelen. Bovendien zouden leerlingen met LOB realistische informatie over beroepen en arbeidsmarkt moeten krijgen. Dit sluit aan bij wat studenten bezighoudt. Zij hebben veel moeite met het maken van (gefundeerde) keuzes, raken hierbij weleens de weg kwijt en overschatten zichzelf regelmatig. De implementatie van LOB schept ruimte voor jongeren om na te denken over hun motieven en kwaliteiten. In de praktijk lijkt LOB echter nog niet de gewenste impact te hebben.

Vormgeving

Kernelementen voor een LOB zijn de ontwikkeling van een arbeidsidentiteit en van loopbaancompetenties. De LOB moet daarvoor praktijkgericht, dialooggericht en vraaggericht worden vormgegeven. Een methode om loopbaancompetenties te ontwikkelen volstaat niet als niet ook recht wordt gedaan aan deze vormgevingselementen.

Twee soorten interventies zijn in samenhang effectief:

– laten ervaren op basis van eigen vragen (ofwel praktijk- en vraaggericht onderwijs)
– gesprekken hierover gericht op de toekomst in de vorm van een dialoog.

Voorwaarde is een krachtige loopbaangerichte leeromgeving. Centraal moeten levensechte praktijkproblemen staan waaraan de leerling met enige vrijheid kan werken. Om zo’n praktijkgerichte omgeving te realiseren is samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven op basis van een gedeelde verantwoordelijkheid een voorwaarde. Werkervaringen kunnen opdoen blijkt een positieve invloed te hebben op de ontwikkeling van een beroepsbeeld en concrete loopbaanplanning.

Begeleiding

Ook moeten leerlingen de kans krijgen om hun ervaringen van persoonlijke zin en van maatschappelijke betekenis te voorzien. Daarvoor is een regelmatige dialoog (tussen docent/studieloopbaanbegeleider en leerling) en nog beter een trialoog (tussen praktijkopleider, docent en leerling) nodig. In deze dialoog moeten de gedachten en de gevoelens van de leerlingen over hun ervaringen met werk en werken centraal staan.

Ten derde moet de leeromgeving keuzemogelijkheden bieden, zodat de leerling in staat wordt gesteld de competentie ‘loopbaanvorming’ te ontwikkelen. De begeleiding zou zich minder moeten richten op het maken van de ‘goede’ keuze voor de toekomst, maar veel meer op de eigen (leer)loopbaan leren vormgeven.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

http://www.keuzeprocessen.nl/images/bestanden/IntrederedePeter_den_Boer.pdf

http://www.leerloopbanen.nl/home/uploads/Documenten/Trialoog.pdf

Webinar: www.onlineseminar.nl/cinop/webinar/16677/loopbaanorientatie-en–begeleiding-lob-voorbij-de-onderwijshype/#watch

 

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Edith van Eck (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij heeft hiertoe Peter den Boer (lector ROC West-Brabant) en Frans Meijers (lector Haagse Hogeschool/Meijers Onderzoek en Advies) geconsulteerd.

Onderwijssector
mbo, vo

Thema
arbeidsoriëntatie en toeleiding, loopbaan (loopbaanbegeleiding, lob)

Vraagsteller
VO Academie