Wat zijn effectieve interventies om digitaal ongewenst gedrag in het onderwijs tegen te gaan?

 PO | VO | ICT | Pesten
shutterstock_183898493

Cyberpesten en andere vormen van digitaal ongewenst gedrag kunnen aangrijpende ervaringen zijn voor kinderen in het primair en voortgezet onderwijs. Hoeveel kinderen er precies mee te maken hebben, is niet bekend. Bij cyberpesten lijkt het tussen 15-25% te liggen, maar sommige onderzoeken komen uit op veel hogere of lagere percentages. Digitale vormen van ongewenst seksueel gedrag, waaronder ‘grooming’, lijken vaker voor te komen: 20-66%. Uit onderzoek naar getoetste interventies leiden we af dat voorlichting, bewustwording, afspraken en onderlinge openheid belangrijke onderdelen van een succesvolle aanpak zijn. Monitoring van digitaal ongewenst gedrag is nog in ontwikkeling en effectonderzoek hiernaar moet nog op gang komen.

Cyberpesten komt in veel vormen voor, en er is weinig consensus over de definitie en prevalentiecijfers. Cyberpesten komt voor via social media (zoals Twitter, Facebook), tekstberichten (mail, sms), en games. Schattingen van het percentage kinderen en jongeren die slachtoffer zijn geweest van cyberpesten lopen sterk uiteen. Veel onderzoeken komen uit op percentages tussen 15% en 25%, met als uitersten 3% en 72%. Ook de prevalentiecijfers van digitale vormen van seksueel ongewenst gedrag lopen erg uiteen: ‘sexting’ (het digitaal versturen van seksueel getinte tekst of beeldmateriaal) tot 1-23%, ‘grooming’ (digitaal kinderlokken) 1-66%.

Effectiviteit van interventies digitaal ongewenst gedrag
Er bestaan nog maar weinig goed-onderzochte interventies specifiek tegen cyberpesten. Effectieve elementen uit bestaande methoden voor middelbare scholieren zijn onder andere: het opnemen van pestpreventie in het curriculum, het aanstellen van peer mentors (leeftijdsgenoten die slachtoffers steunen), en scholieren samen problemen laten identificeren, oplossingen bedenken en hierover de school te adviseren. Andere onderzoeken concluderen dat een succesvolle interventie een combinatie is van informatiesessies, klassessies, posters, en duidelijke regels.

Er is ook nog weinig onderzoek gedaan naar effectieve interventies tegen seksueel ongewenst digitaal gedrag. Ashurt en McAlinden (2015) pleiten dat de ontwikkeling van een interventie tegen schadelijk seksueel gedraag gericht moet zijn op competenties ontwikkelen, in plaats van alleen het ongewenst gedrag stoppen. Daders of kwetsbare jongeren moeten onder andere leren bewust na te denken over bepaalde gedragingen en sociale of visuele cues die anders automatisch seksueel werden geïnterpreteerd. Preventie van grooming is vooral gericht op voorlichting en bewustwording van jongeren, ouders en onderwijzers.

Monitoring van digitaal ongewenst gedrag
Monitoren van digitaal ongewenst gedrag op school en de mogelijkheden beperken is iets wat scholen kunnen doen, maar het is niet eenvoudig om volledig zicht te krijgen op digitale interactie. Een systeem voor het monitoren van digitaal ongewenst gedrag is SafeChat. Dit is een systeem bedacht door onderzoekers uit Duitsland en de VS dat berichten van de verzender gecodeerd naar een centrale server stuurt, om privacy te bewaren. SafeChat scant het bericht op ongepaste woorden en vervangt die door een gepast alternatief, alvorens ze naar de ontvanger door te sturen. Daarnaast biedt het systeem de mogelijkheid aan ouders of docenten om het digitale verkeer van de kinderen te limiteren. De praktische testen en onderzoek naar mogelijkheden rondom implementatie lopen nog.

Voor het monitoren van sexting en grooming zijn ook hulmiddelen ontwikkeld, bijvoorbeeld de Facebook Watchdog. Onderzoekers uit Oostenrijk hebben een plan opgesteld dat Facebook kan monitoren op digitaal ongewenst gedrag in meerdere vormen. Zo zou er beeld- en videoanalyse moeten gebeuren om pornografisch materiaal te detecteren. Technologisch gezien is dit een flinke uitdaging, en de auteurs beschrijven mogelijkheden hieromtrent. Verder zou er een social media analyse-component moeten zijn die gedrag- en stemmingsveranderingen van de gebruiker kan waarnemen, en tekstanalyse om cyberagressie te detecteren. Deze app moet nog verder uitgedacht en uiteindelijk ontwikkeld worden.

Meer weten?
Lees hier het volledige rapport naar aanleiding van de vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Het ministerie van OCW financiert onderzoek naar de effectiviteit van de website Pestkoppenstoppen.nl. De website geeft een online een laagdrempelig advies op maat met als doel jongeren (mentale en gedragsmatige) vaardigheden aan te leren waarmee ze op een effectievere manier om kunnen gaan met online én offline pestgedrag, en de gevolgen daarvan. Meer weten over dit onderzoek? Bezoek dan deze pagina op de website van Stichting Stop Pesten Nu.

Dit YouTube filmpje over cyberpesten biedt enkele praktische tips.

 

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Peter Noort en Anne Luc van der Vegt.

Onderwijssector
PO, VO

Vraagsteller
stichting die zich inzet tegen pesten

Gerelateerde vragen:

Hoe kunnen onderwijsprofessionals hoogsensitiviteit herkennen bij kinderen in het basisonderwijs en op welke manier kunnen zij daarop inspelen?
 PO | Leer- & gedragsproblemen
Hoogsensitiviteit is een aangeboren eigenschap die zich door opvoeding en socialisatie verder ontwikkelt. Kenmerkend is de intense zintuiglijke ervaring waardoor kinderen snel overprikkeld en gestrest raken. Er is een specifieke test voor kinderen om de hooggevoeligheid te meten. Leerkrachten kunnen hoogsensitieve kinderen zonder oordeel en met begrip tegemoet treden. Essentieel is om die kinderen een veilige omgeving, op school en in de klas, te bieden.
Lees verder

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag