Is er een relatie tussen hoogbegaafdheid en onderpresteren?

 PO | Differentiatie

Een aanzienlijk deel van de hoogbegaafde leerlingen presteert lager dan verwacht mag worden op basis van de intelligentie. Schattingen variëren van 15% tot 50%, afhankelijk van de definitie van onderpresteren. Onderpresteren bij hoogbegaafde leerlingen is al waarneembaar vanaf groep 2. In de hogere groepen neemt het onderpresteren toe. Om het onderwijs af te stemmen op hoogbegaafden is vroegtijdige onderkenning belangrijk. Naast organisatorische en inhoudelijke afstemming van het onderwijs is individuele begeleiding (mentoring) gewenst.

Hoogbegaafdheid is de aanleg om tot uitzonderlijke prestaties te komen. Meestal wordt in de praktijk van hoogbegaafdheid gesproken bij een IQ van 130 en hoger, vastgesteld aan de hand van een IQ-test. Overigens is dit niet helemaal in overeenstemming met de theorie, waarin meerdere factoren worden genoemd, die bepalen of iemand hoogbegaafd is:

  1. hoge intelligentie
  2. hoog niveau van taakgerichtheid en structureringsvermogen
  3. hoog niveau van creativiteit

Door de Kennisrotonde is uitgebreid ingegaan op de definitie van hoogbegaafdheid. Wanneer een IQ van 130 als criterium geldt, betekent dit dat 2 tot 2,5% van de bevolking hoogbegaafd is. Onderwijs­gevenden zeggen desgevraagd dat gemiddeld 6% van hun leerlingen hoogbegaafd is, dat is ongeveer 2 leerlingen op een klas van 30.

Hoogbegaafdheid en onderpresteren

Een aanzienlijk deel van de hoogbegaafde leerlingen presteert onder hun niveau. De schattingen variëren van 15% tot wel 50%. De verschillen in percentages hangen samen met verschillen in de definitie van onderpresteren.

Recent Nederlands onderzoek op basis van het PRIMA-cohort hanteert een ‘strenge’ definitie van onderpresteren: een leerling is onderpresteerder als de scores op toetsen voor Nederlands en rekenen minstens één standaarddeviatie lager zijn dan verwacht op basis van het IQ. In een grootschalig onderzoek, onder 60.000 leerlingen, vinden deze onderzoekers dan ook relatief lagere percentages onderpresteerders. Voor alle leerlingen samen ligt het percentage onderpresteerders voor taal rond de 20%, voor rekenen rond de 16%. Het percentage onderpresteerders onder hoogbegaafden ligt in groep 8 op 13% voor taal en op 9% voor rekenen.

Onderpresteerders op de basisschool

Onderpresteren van hoogbegaafde leerlingen is al waarneembaar vanaf groep 2 en kan duren tot in het voortgezet onderwijs. Het percentage onderpresteerders onder hoogbegaafden neemt toe in hogere groepen.

Grote klassen in de onderbouw lijken niet gunstig voor hoogbegaafde leerlingen. Hoe groter het aantal leerlingen in groep 2, des te minder is twee jaar later hun welbevinden, hun populariteit onder klasgenoten en hun relatie met de leerkracht. Leerlingen die versneld de kleuterklassen doorlopen, scoren daarentegen in groep 4 juist hoger op zelfconcept, welbevinden en relatie met de leerkracht. Het percentage onderpresteerders onder hoogbegaafde leerlingen neemt toe in de hogere groepen van de basisschool.

Onderpresteren tegengegaan

Er zijn allerlei manieren waarop basisscholen hoogbegaafde leerlingen proberen te bieden waar ze behoefte aan hebben. Vormen van aanpassing zijn: differentiëren in de eigen groep (compacten en verrijken), versnellen of een klas overslaan, verrijking buiten de eigen groep in plusgroep.

Wat is bekend over de effectiviteit van deze aanpakken? In het kort:

  • Verrijken of verdiepen, versnellen en compacten – dit zijn effectieve maatregelen, die zowel binnen als buiten de klas kunnen worden genomen. Er zijn positieve effecten vastgesteld op motivatie en prestaties.
  • Plusgroepen of plusklassen – hebben een positieve invloed op werkhouding, motivatie, zelfvertrouwen en plezier.

Ter voorkoming van het onderpresteren is allereerst belangrijk dat de hoogbegaafdheid vroeg wordt onderkend. Voor hoogbegaafde leerlingen zijn vanaf het schoolbegin echte veranderingen in het speel/leeraanbod nodig.

Essentieel is dat de manier van werken op school op deze leerlingen wordt afgestemd, met aandacht voor metacognitieve vaardigheden. Het gebruik van portfolio’s is aan te bevelen. Samenwerking met andere slimme leerlingen is ook belangrijk, net als het betrekken van de ouders. De begeleiding dient persoonsgericht te zijn om emotionele en gedragsproblemen te voorkomen.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Over hoogbegaafdheid in het algemeen:

Over hoogbegaafdheid en onderpresteren:

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Anne Luc van der Vegt (Kennismakelaar) en Pieter Appelhof (Oberon).

Onderwijssector
PO

Vraagsteller
po-instelling - leraar

Gerelateerde vragen:

Wat is de meest effectieve manier van werken met (hoog-, meer-) begaafde leerlingen?
 PO | Differentiatie
Aparte activiteiten voor hoogbegaafde leerlingen hebben meestal een positief effect op hun leerprestaties, op hun motivatie, hun leervaardigheden en creativiteit. Niet voor alle domeinen en of vakken leiden alle aanpassingen tot een verbetering. Goed onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen, en eigenlijk voor alle leerlingen, vraagt naast inzetten op cognitief presteren ook om de juiste begeleiding en om leraren die expertise hebben op dit terrein. Welke begeleiding nodig is, hangt af van de beginsituatie van de leerling. Onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen start idealiter met het in kaart brengen van de cognitieve, sociaal-emotionele en ontwikkel- en leervaardigheden. Als het onderwijs wat betreft inhoud, organisatie en pedagogisch didactische begeleiding daarbij aansluit, zijn de (hoogbegaafde) leerlingen het best geholpen.
Lees verder
Welke docentinterventies bevorderen het studiesucces van onderpresterende jongens (en meisjes) in de onderbouw van het voortgezet onderwijs?
 VO
Aanleg, de thuissituatie, de school en de neuropsychologische ontwikkeling van de leerling spelen een rol bij onderpresteren. Om presteren onder een verwacht niveau in het algemeen te kunnen verklaren, is er echter nog onvoldoende duidelijk. Er is evenmin helderheid over de relatie tussen onderpresteren en gedragsproblemen. Een vroege aanpak-op-maat ligt evenwel voor de hand. Scholen en docenten bieden leerlingen dan een veilige omgeving en structuur. Docenten gaan empathisch met de leerlingen om, waarbij het welbevinden van de leerlingen extra aandacht verdient, ook van de meisjes.
Lees verder

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag