Wat is het effect van kolomsgewijs rekenen, als tussenstap, op de rekenprestaties van leerlingen?

 PO | Vakken

Het maakt waarschijnlijk weinig uit of kolomsgewijs rekenen wel of niet als tussenstap tussen hoofdrekenen en cijferen aan leerlingen wordt aangeboden. Rekenmethoden blijken een verwaarloosbaar tot hooguit klein effect te hebben op rekenprestaties.

Op nagenoeg alle basisscholen wordt gebruikgemaakt van rekenmethoden waarin (ook) kolomsgewijs rekenen wordt aangeleerd. Dit is bedoeld om kinderen de stap te laten maken van hoofdrekenend oplossen naar cijferend oplossen van rekenopgaven. Bij kolomsgewijs rekenen wordt net als bij cijferen onder elkaar gewerkt, maar er wordt met de (grootte van) getallen gewerkt en niet zozeer met de losse cijfers. Het idee erachter is dat kolomsgewijs rekenen inzichtelijker zou zijn voor kinderen en daarmee de stap van hoofdrekenen naar cijferen vereenvoudigt. Kolomsgewijs rekenen is min of meer met de verspreiding van het realistisch rekenen een algemeen aanvaard onderdeel in de rekenmethoden geworden. Het komt met name in de groepen 5 en 6 aan de orde. Daarna maken kinderen de vertaalslag naar cijferend rekenen.

Omdat kolomsgewijs rekenen geassocieerd wordt met realistisch rekenen liggen uitspraken over de effectiviteit ervan al snel onder een vergrootglas. Er is een zeer intens debat tussen verschillende stromingen in het rekenonderwijs, van het ‘vernieuwende realistisch’ rekenen tegenover ‘traditionele’ rekenen.

Effectiviteit van rekenonderwijs

Er is geen onderzoek gevonden dat specifiek iets zegt over het effect van het ‘overslaan’ van kolomsgewijs rekenen op rekenprestaties. Wel is er breder onderzoek naar de invloed van rekenonderwijs op rekenprestaties en de rol die de gehanteerde methode daarin speelt. Op grond van een recent verschenen overzichtsstudie kunnen we afleiden dat het waarschijnlijk weinig uitmaakt of kolomsgewijs rekenen wel of niet als tussenstap aan een leerling wordt aangeboden.

De genoemde studie maakt een onderscheid in kenmerken van de les (bijvoorbeeld een bepaalde instructievorm, rekenmethode), van de leerkracht (zoals kennis, ervaring, vaardigheden), van de klas (bijvoorbeeld een taakgerichte werksfeer), van de school (bijvoorbeeld visie op rekenen, wel of geen rekencoördinator), en van de leerling (zoals motivatie en rekenangst). Van dit geheel blijken rekenmethoden een verwaarloosbaar tot klein effect te hebben op rekenprestaties.

Andere kenmerken zijn wel van invloed op de rekenprestaties. Bijvoorbeeld leskenmerken, zoals formatief gebruik van toetsgegevens en differentiëren in niveaugroepen. Of algemene leerkrachtvaardigheden, zoals effectief pedagogisch handelen en klassenmanagement, en rekenspecifieke kennis van de leerkracht. Verder blijken beelden die leerlingen hebben over rekenen (bijvoorbeeld dat rekenkennis bestaat uit losse stukjes in plaats van dat er samenhang bestaat in rekenkennis) negatief samen te hangen met hun rekenprestaties. Dat geldt ook voor resultaten aan een externe factor toeschrijven en rekenangst.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Sjerp van der Ploeg (Kennismakelaar Kennisrotonde).

Onderwijssector
PO

Vraagsteller
po-instelling - IB'er

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag