Is het waar dat het (tekst)begrip van schriftelijke toetsitems van invloed is op de leerprestaties van vmbo-leerlingen?

 VO | Taal | Vakken
shutterstock_439984012

Schriftelijke toetsen en/of schriftelijke toetsitems doen een beroep op de leesvaardigheid van de leerling. Het begrijpen van toetsitems hangt onder andere samen met de woordenschat en de mate waarin het werkgeheugen door de opgave(n) wordt belast. Een aantal factoren kan het tekstbegrip van zwakkere lezers in het vmbo bevorderen. Aandacht voor de context, taalgebruik, tekstverbanden en woordenschat kan het tekstbegrip bij toetsitems en daarmee mogelijk de leerprestaties voor vmbo-leerlingen verhogen. Het idee is dat een beter tekstbegrip tot accuratere antwoorden zal leiden.

Bij toetsen of examens die schriftelijk worden afgenomen, is het alleen mogelijk indirect vast te stellen in hoeverre leesvaardigheid van invloed is op het uiteindelijke toetscijfer. Er spelen meerdere factoren een rol. Zo worden vragen bij vakken als wiskunde, economie en maatschappijleer vaak in een context aangeboden, wat van invloed kan zijn. Maar ook het woordgebruik in en de leesbaarheid van opgaven of teksten kan het tekstbegrip en daarmee de leerprestaties beïnvloeden. Een en ander hangt samen met de belasting van het werkgeheugen. Als een item niet wordt begrepen, zal het antwoord waarschijnlijk niet passend zijn en als onvoldoende worden beoordeeld.

Woordenschat

Voor het begrijpen van teksten en toetsvragen is de woordenschat van de leerling van groot belang. Zo blijken in de Nederlandse taal begrijpend lezen en woordenschat sterk samen te hangen.

De woordenschat van leerlingen bestaat uit alledaagse taal, vaktaal (woorden die voorkomen in zaakvakken) en schooltaal (bijvoorbeeld in schoolboeken). Het aanleren van schooltaal en vaktaal gaat over het algemeen niet vanzelf. Het is daarom belangrijk om aandacht te besteden aan schooltaalwoorden en vaktaalwoorden. Deze woorden horen bij de examenstof.

Cognitieve (over)belasting

Een tekst of toetsvraag lezen, legt beslag op het werkgeheugen van lezers. De mate van belasting varieert tussen lezers. Zo zal bij zwakke lezers het geheugen meer worden belast met technische aspecten van lezen (zoals het decoderen van woorden), omdat deze basale leesprocessen vaak niet geheel automatisch verlopen. Daarnaast hebben vooral zwakke lezers moeite tegelijkertijd veel informatie te verwerken. En zwakke lezers kunnen minder goed verbanden tussen zinnen herleiden. Al deze aspecten kunnen resulteren in cognitieve overbelasting, oftewel te weinig geheugenruimte om informatie goed te kunnen verwerken.

Lange teksten bij toetsopgaven zorgen dus voor extra druk op dit werkgeheugen. Dit kan ten koste gaan van de beantwoording van de toetsvraag.

Wat werkt

Kennis wordt vaak in een context getoetst. Voordeel is dat de leerling zo zijn kennis kan activeren (een leesstrategie), een nadeel is de mogelijke cognitieve overbelasting. Het maakt uit of de toets op papier is of digitaal. In een digitaal examen worden alle onderdelen van een item tegelijkertijd aangeboden. Te weten de context, de vraag, het antwoordveld en de (audio)visuele en/of interactieve elementen. De lezer kan kiezen wat hij eerst of later leest. Dus moet duidelijk zijn welke rol ieder afzonderlijk element in het geheel heeft en welke leesroute het meest effectief is. Voor zowel papieren als digitale toetsitems moeten leerlingen leren wat de optimale leesroute is binnen de items van een toets.

Teksten kunnen variëren in complexiteit. Vooral zwakkere lezers in het vmbo (basisberoepsgerichte leerweg) hebben baat bij teksten met een geïntegreerde lay-out, waarbij zinnen doorlopend worden gepresenteerd. Daarnaast zijn deze leerlingen geholpen met verbindingswoorden, zoals maar, omdat, et cetera. Zowel de lay‐out als de verbindingswoorden helpen leerlingen verbanden tussen de zinnen te leggen. Laat leerlingen daarom oefenen met het herkennen van verbindingswoorden en het leggen van tekstverbanden.

De leesbaarheid van teksten wordt beïnvloed door de woordkeuze, maar ook door het taalgebruik. Zo worden toetsen vaak gekenmerkt door passieve zinsconstructies, het gebruik van nominalisaties (zelfstandige naamwoorden die van werkwoorden zijn afgeleid) en te-infinitieven (zinnen met om/door). Wijs leerlingen hierop.

Meer weten?

 

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan José van der Hoeven (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij heeft hiertoe dr. Jacqueline Evers (Universiteit Utrecht) geconsulteerd.

Onderwijssector
VO

Vraagsteller
vo-instelling - docent

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag