Is er een relatie tussen de ervaren werkbelasting en hoe bekwaam leraren zich voelen om bewegingsonderwijs en cultuureducatie te geven?

 PO | Vakken | Werkdruk
Music Class --- Image by © moodboard/Corbis

De werkbelasting die leraren ervaren en hun gevoel van bekwaamheid hangen met elkaar samen. Leerkrachten die een grote werkbelasting of stress ervaren, voelen zich minder bekwaam. En leerkrachten die zich bekwaam voelen, zijn tevredener over hun werk. Of dit voor alle vakken evenveel geldt, is moeilijk te zeggen. Bij cultuureducatie hebben veel groepsleerkrachten het gevoel dat hun kennis tekortschiet. Ze zijn ook minder gemotiveerd voor dit vak dan voor de basisvakken. Leraren die zich bekwaam voelen om bewegingsonderwijs te geven, lijken gemotiveerder voor hun vak.

De relatie tussen werkbelasting enerzijds en gevoel van bekwaamheid en arbeidssatisfactie anderzijds is enigszins gecompliceerd. Dat heeft te maken met de verschillende betekenissen van werkbelasting. De objectieve of feitelijke werkbelasting van leerkrachten (aantal uren voor de klas, aantal uren voorbereidingstijd) en de belasting die zij ervaren.

Leraren die het druk hebben (feitelijke werkbelasting) voelen zich over het algemeen bekwamer dan leraren die het minder druk hebben. Maar leraren die tijdens het lesgeven veel stress ervaren (bijvoorbeeld door wangedrag van leerlingen) voelen zich juist minder bekwaam en zijn minder tevreden over hun werk. De verklaring ligt voor de hand: door onsuccesvolle ervaringen met wangedrag voelen leraren zich onzeker hoe dit aan te pakken. Leerkrachten die zich minder bekwaam voelen in klassemanagement ervaren meer stress.

Tussen het gevoel van bekwaamheid en arbeidssatisfactie is een sterk positief verband. Hoe bekwamer leerkrachten zich voelen, hoe tevredener ze zijn met hun baan en hoe meer ze samenwerken met collega’s.

Bewegingsonderwijs en cultuureducatie

Van leraren in het basisonderwijs wordt verwacht dat zij een ‘brede bekwaamheid’ hebben. Zij moeten in principe les kunnen geven in alle groepen van de basisschool en in alle vakken. In de praktijk is er wel verschil tussen de bevoegdheid om les te geven en het gevoel van bekwaamheid. Dit geldt met name voor vakken waarvoor de bekwaamheid van groepsleerkrachten minder vanzelfsprekend is, zoals bewegingsonderwijs en cultuureducatie.

Voor bewegingsonderwijs gelden aanvullende bevoegdheidseisen. Om dit vak te geven moet je vakleerkracht zijn (ALO-opleiding) of een leergang bewegingsonderwijs hebben afgerond. Vakleerkrachten worden ingezet op de helft van de basisscholen. Leerkrachten die zich bekwaam voelen in bewegingsonderwijs, blijken positiever te staan tegenover het vak.

Voor cultuureducatie gelden in het basisonderwijs geen aanvullende bevoegdheidseisen, een pabo-opleiding volstaat. Op de overgrote meerderheid van de basisscholen zijn er geen vakleerkrachten maar geven groepsleerkrachten cultuureducatie.

Veel leerkrachten ontbreekt het bij onderwijs in de kunsten aan vertrouwen in de eigen bekwaamheid. Ze vinden dat ze niet voldoende kennis hebben en zijn matig gemotiveerd voor het vak. Het gevolg is dat deze leerkrachten in hun lessen weinig aandacht besteden aan kunst, muziek en dans. Leerkrachten hebben meer vertrouwen in hun competentie om taal en rekenles te geven, dan creatieve vakken te geven.

Motivatie

Een hogere ervaren werkbelasting gaat samen met twijfel aan de eigen bekwaamheid en een lagere arbeidssatisfactie. Wat dit betekent voor het bewegingsonderwijs en cultuureducatie op Nederlandse basisscholen is nog niet  duidelijk. Groepsleerkrachten voelen zich zoals gezegd minder bekwaam om cultuureducatie te geven. Dit heeft gevolgen voor hun motivatie en hoeveel aandacht ze aan het vak besteden. Of ze ook een grote belasting ervaren, zou nog onderzocht moeten worden.

Bij bewegingsonderwijs lijkt er een relatie te zijn tussen het gevoel van bekwaamheid en arbeidssatisfactie. We weten echter niet of er verschil is tussen vakleerkrachten en groepsleerkrachten met een pabo-opleiding.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

 

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Angela de Jong (Oberon) en Anne Luc van der Vegt (Kennismakelaar Kennisrotonde).

Beeld banner: © moodboard/Corbis

Onderwijssector
PO

Vraagsteller
vakvereniging leraren - adviseur of beleidsmedewerker

Gerelateerde vragen:

Levert fysiek bezig zijn met spel en beweging een bijdrage aan sociaal en emotioneel leren?
 PO | VO | Gelijke kansen
Spel en beweging kunnen een positieve invloed hebben, zowel op leerprestaties van kinderen als op de sociaal-emotionele ontwikkeling. De invloed op sociaal gedrag, zelfbeeld en zelfvertrouwen is afhankelijk van het sociale klimaat waarbinnen de activiteiten plaatsvinden. Een positief pedagogisch klimaat, met aandacht voor sociale interactie, bevordert een positieve invloed op de sociaal-emotionele ontwikkeling. Sportieve activiteiten met nadruk op competitie kunnen echter averechts werken en leiden tot een lager zelfbeeld en gevoel van eigenwaarde. De docent of trainer heeft een belangrijke invloed op dit klimaat.
Lees verder
Presteren kinderen beter door ‘bewegend leren’?
 PO | Schoolorganisatie
Het integreren van fysieke activiteiten en leertaken, bijvoorbeeld springen terwijl je bezig bent met automatiserings- en herhalingsopdrachten, lijkt een positieve invloed te hebben op het leren van basisschoolleerlingen. Onderzoek naar het effect van fysiek actieve reken- en taallessen laat zien dat basisschoolleerlingen direct na deze lessen meer gericht zijn op hun taak en dat hun reken- en spellingsvaardigheden verbeteren. Door bewegen vinden acute en structurele veranderingen plaats in de hersenstructuur. Deze hebben een positief effect op de executieve cognitieve functies van een kind (zoals planning, besluitvorming en bijsturing van gedrag) en – vermoedelijk – ook op diens aandacht en concentratie. Een hard en definitief bewijs voor een positieve invloed op de lange termijn is (nog) niet gevonden.
Lees verder

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag