Waar moet een lesobservatie-instrument aan voldoen om de ontwikkeling van startende leraren in het primair onderwijs te volgen?

 PO | 21e-eeuwse vaardigheden | Professionalisering | Ook interessant

Een observatie-instrument voor het volgen van leraren moet kwalitatief goed zijn en objectief. Daarnaast is het belangrijk dat het instrument is afgestemd op de context van de school. Een bestuur of school dient na te gaan wat ze willen weten, met welk doel en of de instrumenten daarover voldoende informatie bieden.

Observatie van hun lessen kan een krachtig middel zijn om de professionele ontwikkeling van (beginnende) leraren te bevorderen. Bovendien hebben lesobservaties positieve effecten op leerlingprestaties. Het is dan wel van belang dat de observaties gekoppeld zijn aan gerichte feedback en coaching in een veilig klimaat. Verder moeten leraren zich kunnen vinden in de leervraag.

Toetsingskader voor observatie-instrumenten

Er zijn meer dan dertig instrumenten om systematisch lesobservaties te kunnen verrichten. Zo zijn er instrumenten gebaseerd op competenties en bekwaamheden, op kwaliteitsbeleid en het toezichtkader van de Onderwijsinspectie. Andere baseren zich op handelingsgericht werken en inzichten uit orthopedagogie met als uitgangspunt de relatie tussen leraar en leerling. Ook zijn er instrumenten die het accent leggen op de verschillende kernvakken of op directe instructiemodellen die diverse invalshoeken combineren.

Om scholen en besturen te helpen tot de juiste instrumentkeuze voor hun school te komen, heeft de PO-Raad een toetsingskader laten ontwikkelen. Het toetsingskader geeft handen en voeten aan de term beproefd observatie-instrument. Het stelt scholen en besturen in staat de kwaliteit en toepasbaarheid van een instrument te beoordelen op basis van wetenschappelijke en praktische criteria. Een van die criteria gaat over de inhoud van het instrument, wat wordt gemeten. Daarbij zijn de afbakening en onderbouwing vanuit theorie en onderzoek van belang.
Verder is er een serie technische criteria, zoals de wetenschappelijke opvattingen over meetinstrumenten, verwerking van gegevens, scoringsmethode en betrouwbaarheid. Daarnaast komen de voorwaarden voor afname aan bod. Wie observeert, waar en wanneer gebeurt dat en hoe vaak. Ten slotte is er de toets of het instrument richtlijnen bevat ter ondersteuning van bijvoorbeeld het personeelsbeleid van een school.

Keuzeproces

Zo ondersteunt het toetsingskader scholen en besturen in hun keuzeproces om te komen tot een instrument dat specifiek past bij hun school. Kort weergegeven bestaat het keuzeproces uit een aantal stappen. Bespreek vooraf waar de professionalisering zich op richt, bijvoorbeeld basisvaardigheden, kernvakken, teamontwikkeling. Ook moet duidelijk zijn wat het doel is, is het gericht op ontwikkeling of op beoordeling? Andere vragen zijn voor wie het instrument bedoeld is – alle leraren, starters, teams – en door wie het wordt gebruikt – externe observant, coach, directie.

Deze stappen leiden tot een selectie van instrumenten die in beginsel in aanmerking komen. Het bestuur of de directie overlegt vervolgens met de medezeggenschapsraad om samen na te gaan of de geselecteerde instrumenten voldoen aan de minimale kwaliteitscriteria. Zo kan gezamenlijk tot een weloverwogen keuze van een observatie-instrument worden gekomen. De laatste stap is een zorgvuldige invoering, gedragen door alle betrokkenen.

Als een school al een observatie-instrument gebruikt, dan kan ze het toetsingskader inzetten als kwaliteitscheck. Dat kan door het instrument langs het kader te leggen en na te gaan of het de toets der eigen kritiek kan doorstaan.

Meer weten

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Edith van Eck (kennismakelaar Kennisrotonde). Zij heeft hiertoe Marjan Glaudé (Kohnstamm Instituut) geconsulteerd.

Onderwijssector
PO

Vraagsteller
po-instelling - projectleider

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag