Is de (sekse)samenstelling van groepen studenten van invloed op de ontwikkeling van die groepen volgens de groepsfasen van Tuckman?

 MBO | Gelijke kansen

Homogene vrouwengroepen lijken zich in eerste instantie sneller te ontwikkelen en lijken ook effectiever te zijn, zo luidt een voorzichtige conclusie op basis van het weinig beschikbare onderzoek. Tegelijkertijd zouden heterogene groepen toch de voorkeur kunnen hebben, omdat deze overeenkomen met de werkelijkheid van alledag. Daarnaast beïnvloeden de persoonlijkheidskenmerken van lerenden, de rol van de docent en de leeromgeving mede de ontwikkeling en het succes van groepen.
De theorie van Tuckman wordt vaak gebruikt om de ontwikkeling van groepen te beschrijven. Hoewel dit model oorspronkelijk voor psychotherapeutische groepen is ontworpen, wordt het breed toegepast, zo ook in het onderwijs. Het is echter de vraag of het model van Tuckman het meest geschikt is om groepsontwikkeling in het onderwijs te beschrijven.

Vijf fasen

Het model van Tuckman veronderstelt dat groepen achtereenvolgens vijf fasen doorlopen: forming (vormgeving), storming (conflictfase), norming (groepsnormen ontwikkelen), performing (presteren) en adjourning (afscheid nemen).

Specifiek onderzoek naar de relatie tussen de groepssamenstelling en de groepsontwikkeling is zeer schaars. Onderzoek dat wel ingaat op het model van Tuckman (1965) in relatie tot de seksesamenstelling van groepen richt zich op ondernemers in leergroepen. Die zijn niet zonder meer te vergelijken met studenten in het mbo, zoals de studenten van de vraagsteller aan de Kennisrotonde. Een conclusie is dat seksehomogene en -heterogene groepen de eerste vier fasen van Tuckman allemaal doorlopen, maar op verschillende manieren en in verschillend tempo. Met name homogene vrouwengroepen blijken de eerste formingfase sneller te doorlopen dan de andere groepen (de homogene mannengroepen en de heterogene groepen).

Andere effecten van seksesamenstelling

In onderzoek naar het model van Tuckman wordt weinig rekening gehouden met de achtergrond van de groepsdeelnemers. De invloed van de samenstelling van groepen is in andere verbanden wel onderzocht:

Diverse onderzoeksliteratuur laat zien dat de prestaties van de groep als geheel blijken samen te hangen met de samenstelling van de groep. Groepsgrootte en individuele prestaties van de groepsleden in eerdere, andere contexten bleken geen verband te houden met de groepsprestatie. Het aantal en het percentage vrouwen in een groep en de man/vrouw verhouding in een groep hangen echter wel positief samen met de groepsprestatie. Zo blijkt de effectiviteit van leernetwerken met alleen vrouwen hoog wat betreft het bereiken van hun doelen, die van mannengroepen laag. Dit zou te maken hebben met een meer interactieve, mensgeoriënteerde en samenwerkende stijl van vrouwen die groepsprocessen lijken te faciliteren. Deze eigenschappen in combinatie met een sterker analytische besluitvorming en competitieve instelling van mannen zou kunnen verklaren dat naar sekse gemixte groepen beter presteren dan homogene groepen. Overigens hebben gemengde groepen ook de voorkeur omdat vrouwen doorgaans tegenstander zijn van homogene groepen (omdat die niet de sociale werkelijkheid representeren).

Uit literatuuronderzoek door de Kennisrotonde (2017) naar de invloed van de groepssamenstelling in het basisonderwijs (wat betreft etniciteit, prestatieniveau, sekse en sociaal milieu) op de onderwijsprestaties van leerlingen komt naar voren dat kenmerken van individuele leerlingen wel van belang zijn voor hun prestaties, maar de groepskenmerken niet of nauwelijks.

Zelfvertrouwen

De groepssamenstelling kan ook verband houden met andere factoren dan prestaties. Seksehomogene groepen kunnen bijvoorbeeld gunstig zijn voor het schools welbevinden en het academisch zelfbeeld van meisjes. Zo pleiten onderzoekers wel voor homogene vrouwengroepen in bepaalde situaties zoals ICT-onderwijs, vooral omdat dat gunstig is voor het zelfvertrouwen van studenten. De aanwezigheid van positieve rolmodellen, peer-ondersteuning en veiligheid om vrijuit te spreken zijn daarbij belangrijke voorwaarden.

Hattie (2012) betoogt echter dat goed onderwijs grotendeels onafhankelijk is van de groepssamenstelling van de klas en vooral afhangt van de kwaliteit van de docent.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

In het bovenstaande antwoord worden leernetwerken genoemd, een concept dat verwant is aan het concept leergemeenschappen. De Kennisrotonde heeft in dat verband verschillende vragen beantwoord of nog in behandeling. Zie bijvoorbeeld het antwoord op de vraag ‘Wat is er bekend over de effectiviteit van samenwerking in netwerken van diverse actoren binnen het onderwijs?

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Niek van den Berg en Edith van Eck. Zij hebben hiertoe Bill O’Gorman en Aisling O’Neill (Waterford Institute of Technology) geconsulteerd.

Onderwijssector
MBO

Vraagsteller
mbo-instelling - docent

Gerelateerde vragen:

Wat is er bekend over de effectiviteit van samenwerking in netwerken van diverse actoren binnen het onderwijs?
 PO | VO | MBO | 21e-eeuwse vaardigheden | Professionalisering | Leergemeenschappen | Ook interessant
In het onderwijs kan worden samengewerkt binnen een professionele leergemeenschap. Deze kan het meest effectief bijdragen aan de verbetering van leerlingprestaties, wanneer de leden gericht toewerken naar vooraf concreet geformuleerde doelen en bereid zijn van elkaar te leren. Voor dit collectieve leerproces dienen de deelnemers intensief samen te werken aan onderwijsinhoudelijke producten. Met name de impliciete kennis van de deelnemers expliciteren, draagt bij aan het gezamenlijke leerproces. Wederzijds vertrouwen en openheid zijn hierbij een voorwaarde.
Lees verder
Wat is bekend over genderstereotypering in het onderwijs en de invloed daarvan op de ontwikkeling van jongens en meisjes?
 PO | VO | MBO | Gelijke kansen
Verschillen in cognitieve prestaties tussen jongens en meisjes zijn klein en wisselend. Wel is de schoolloopbaan van meisjes iets gunstiger. Er zijn onderzoeken die erop wijzen dat jongens en meisjes anders behandeld worden in de klas. Maar een directe relatie tussen het gedrag van de leraar en prestaties van leerlingen lijkt te ontbreken.
Lees verder

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag