Wat zijn de specifieke kenmerken van mbo studenten niveau 3 voor curriculumontwerp?

 MBO | In de klas | Schoolloopbaan
shutterstock_72612544_leren

Het blijkt lastig om specifieke leerlingkenmerken toe te dichten aan de groep mbo-studenten niveau 3. De mbo-populatie is op een groot aantal kenmerken (variabelen in databestanden) zeer divers en deze variëteit tekent zich af zowel binnen als tussen de niveaus. Het weinige onderzoek naar leerlingkenmerken dat is uitgevoerd, ging vooral over leerhoudingen, werk- en beroepsbeeld, normen voor sociaal gedrag en maatschappelijke betrokkenheid. Specifiek onderzoek naar leerlingkenmerken met het oog op elementen waaraan het curriculumontwerp zou moeten voldoen, heeft zich beperkt tot leerlingen op niveau 1 en 2.

De essentie van de vraag is om zicht te krijgen op de kenmerken van leerlingen die op niveau 3 een opleiding volgen. De vragensteller heeft gemerkt dat – hoewel de nieuwe kwalificatiedossiers inhoudelijk nauwelijks verschillen – de deelnemersgroepen op niveau 3 en niveau 4 wel verschil laten zien ten opzichte van elkaar. Het curriculum moet met de specifieke kenmerken van leerlingen op een specifiek niveau rekening houden. Welke typische kenmerken van de leerlingengroep op niveau 3 zijn belangrijk voor het curriculumontwerp op dat niveau? En welke kenmerken doen recht aan de verschillen met leerlingen op niveau 4?

Analyses van meerdere databestanden laten zien dat er weinig verschil is op die kenmerken uit de bestanden tussen de leerlingpopulaties op niveau 3 en op niveau 4. Het gaat dan om variabelen als de instroomverhouding uit de leerwegen van het vmbo, geslacht, doorstroom uit mbo-2, sociaal-culturele oriëntaties, leeftijd, voorkeur voor een studierichting, en de voorkeur voor een multisectoraal (roc) of een sectoraal schooltype (vakschool, aoc). Je zou kunnen zeggen dat de variëteit op deze kenmerken binnen de groepen niveau 3 en niveau 4 even groot is als tussen de beide groepen.

Hiteq voerde een aantal jaren geleden een vergelijkend onderzoek uit onder vmbo-leerlingen, mbo-studenten en de generatie Einstein (in het rapport gedefinieerd als ‘jongeren geboren na 1988’), waarbij de focus bij mbo-studenten vooral lag op de technische sector (Groeneveld & Van Steensel, 2009). Het doel van het onderzoek was om kenmerken van de mbo-populatie als geheel te vergelijken met de vmbo-populatie en de generatie Einstein. In het onderzoek is onder andere gekeken naar leerlingkenmerken die betrekking hebben op leerstijl en leerhouding, en naar eventuele verschillen tussen de vier niveaus. Uit onderstaande tabel wordt duidelijk dat het gevonden onderscheid tussen mbo-studenten op de vier niveaus eerder gradueel dan principieel is. In dit graduele onderscheid zijn de verschillen vooral te vinden tussen niveau 1 en 2 enerzijds en niveau 3 en 4 anderzijds.

Typologie mbo-leerlingen
Klik voor een vergroting; opent in nieuw venster

Tabel Groeneveld & Van Steensel (2009)
Bron: Groeneveld & Van Steensel (2009)

Aan het onderzoek heeft een klein aantal studenten meegedaan. Buiten dit onderzoek kunnen de kenmerken van de leerling-groep op niveau beïnvloed zijn door verschillen in bijvoorbeeld de intakeprocedure van een mbo-instelling. Als in een intake aankomende studenten op grond van hun studiemotivatie, onderwijsgeschiedenis, studiecapaciteiten of sociale herkomst zijn toegedeeld naar niveau 3 of 4, kan deze procedure de kenmerken van de studentenpopulatie op beide niveaus hebben beïnvloed.

Meer weten?

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

 

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Annemieke Cox en Tinka van der Kooij. Zij hebben hiervoor Anneke Westerhuis van het Expertisecentrum Beroepsonderwijs geconsulteerd.

Onderwijssector
MBO

Vraagsteller
vo-instelling - adviseur of beleidsmedewerker

Gerelateerde vragen:

Wat is het effect van het gebruik van het 4C/ID model op de lesuitvoering van docenten en op de kwaliteit van de les?
 MBO | HO | In de klas | Leraren & schoolleiders | Schoolloopbaan
Het vier componenten instructiemodel (4C/ID-model) richt zich op het ontwerpen van leertaken. Met dit model kan het curriculum in het (middelbaar) beroepsonderwijs worden vormgegeven. Invoering van het 4C/ID-model leidt tot een verandering in de docentrollen: van vooral kennisoverdrager naar begeleider en feedbackgever. Uit eerder onderzoek weten we dat er voor een aantal aspecten van docentgedrag, zoals feedback geven, positieve effecten zijn gevonden op de leerprestaties.
Lees verder
Wat zijn de opbrengsten van vakintegratie?
 PO | 21e-eeuwse vaardigheden | In de klas | Taal | Vakken
Taal- en rekenlessen integreren in het bètaonderwijs kan bijdragen aan zowel domeinkennis als taal- en rekenvaardigheden. Dit vraagt stevige inhoudelijke expertise van de leraar. Over de effecten van (thematische) vakintegratie op probleemoplossingsvaardigheden, informatievaardigheden en samenwerking is niet veel bekend. Wel weten we dat leerlingen dergelijke vaardigheden alleen goed kunnen ontwikkelen als ze een voldoende basis van domeinkennis hebben.
Lees verder

Niet gevonden waar je naar op zoek bent?

Stel direct jouw vraag