Waaraan moet een succesvol traject gericht op de doorstroom mbo – hbo voldoen?

Een goede doorstroom van mbo-studenten naar het hbo is lastig te organiseren. De groep is divers en een breed scala aan student- en omgevingskenmerken kan invloed hebben op uitval. Interventies die een succesvolle doorstroom bevorderen, zijn onder andere proefstuderen, loopbaanbegeleiding en mentoring.

Jaarlijks valt ongeveer zeventien procent van de mbo-studenten uit tijdens of meteen na hun eerste jaar op het hbo. Ze vallen definitief uit, wat wil zeggen dat ze niet meer terugkeren in het hoger onderwijs. Mbo- en hbo- instellingen hebben, veelal in onderlinge samenwerking, initiatieven opgezet om uitval te voorkomen.

Bij uitval spelen zowel kenmerken van de student als van de opleiding een rol. Kenmerken als geslacht, leeftijd, familiale achtergrond, financiële problemen, behaalde cijfers in het voortgezet en in hoger onderwijs, sociale integratie en socio-psychologische elementen kunnen bijdragen aan de uitval van studenten. Tegelijkertijd hebben de verschillende kenmerken wisselende invloed op de uitval. De groep studenten is ook nog eens heel divers. Opvallend is dat mbo-studenten die stoppen en studenten die doorgaan nauwelijks van elkaar verschillen wat betreft studiekeuze, verwachtingen, prestaties en beleving.

Een veel gehoorde verklaring dat mbo-studenten inhoudelijk niet mee kunnen op het hbo, is niet bewezen. Wel is duidelijk dat studenten verschillen in de mate waarin ze zich thuis voelen op het hbo. Studenten die stoppen voelen zich, in vergelijking met studenten die doorstuderen, minder vaak thuis in de opleiding en instelling. Ze hebben ook minder aansluiting met de docenten en medestudenten. Verder kunnen kenmerken van de omgeving en de instelling een rol spelen. Zoals de regio waar een instelling staat, de kwaliteit van de instelling en de woonsituatie van de student. Tot slot speelt aansluitingsproblematiek een belangrijke rol in de minder gunstige studieloopbanen van mbo’ers.

Mogelijke interventies

Interventies die de doorstroom mbo-hbo effectief bevorderen zijn proefstuderen en de aanwezigheid van een studiekeuzecentrum. Voorlichting, studieloopbaanbegeleiding en mentoring dragen zowel bij aan de doorstroom naar het hbo als aan het voorkomen van uitval. Intakegesprekken lijken geen bijdrage te leveren. Voor onderwijsinstellingen blijkt het overigens niet eenvoudig een doorstroomtraject op te zetten: het valt niet mee elkaar te vinden. Ook is voor instellingen niet altijd duidelijk of en waarom de doorstroom niet goed verloopt.

Meer weten? 

Lees het volledige rapport opgesteld als antwoord op deze vraag, inclusief geraadpleegde bronnen.

 

Dit antwoord is tot stand gekomen met dank aan Femke Timmermans en Niek van den Berg.

Onderwijssector
ho, mbo

Thema
schoolovergang

Vraagsteller
mbo-instelling - adviseur of beleidsmedewerker