Lessen uit de experimentele NRO-subsidieronde Groen Onderwijs

“Zó veel werk in een aanvraag gestoken… en allemaal voor niets!”
“De verschillen tussen de aanvragers zijn zó klein! Alle voorstellen zijn van zeer goede kwaliteit en toch moeten we keuzes maken…”

Het zijn veelgehoorde frustraties van aanvragers én beoordelaars over de competitieve onderzoeksfinanciering van NWO. Het NRO-bureau kent én begrijpt de frustraties. Sterker nog: niet zelden delen we de frustratie. Kan het ook anders? Dat zijn we gaan uitproberen in de tweede subsidieronde voor het Groen Onderwijs.

door Judith Huisman i.s.m. Linda Sontag

Wat is het gebruikelijke plaatje: de beschikbare middelen zijn beperkt, de belangstelling onder onderzoekers is groot, en wanneer puntje bij paaltje komt concluderen velen toch dat enige competitie niet slecht is. Of tenminste het ‘minst-slechte’ alternatief. Dus blijven we altijd zoeken naar betere alternatieven voor die gevallen waarin de omstandigheden nét even anders zijn. Bijvoorbeeld als er ‘geoormerkt’ budget is voor onderzoek naar een kleine, overzichtelijke tak van het Nederlandse onderwijs, en het aantal onderzoekers op dit gebied klein is. Én als je ruim de tijd hebt om met alle betrokkenen samen te zoeken naar een nieuwe werkwijze.

Open en gezamenlijk proces

In het najaar van 2015 werd bekend dat begin 2017 (opnieuw) drie onderzoeksprojecten voor het Groen Onderwijs zouden kunnen starten, gefinancierd door het ministerie van Economische Zaken (dat zich nu nog ontfermt over onderwijs in de agrarische sector). Al bij de eerste overleggen tussen het ministerie, de AOC-raad en Linda Sontag van het NRO werd de wens geuit om de onderzoeksvoorstellen nog meer vanuit de praktijk te laten ontstaan dan in een eerdere subsidieronde het geval was geweest. Zo ontstond het idee om eerst alleen met de Agrarische Opleidingscentra (AOC’s) te gaan praten over de vraagstukken waar zij in de praktijk tegenaan liepen. Daarna zouden de AOC’s samen met onderzoekers aan de slag gaan met het schrijven van een onderzoeksvoorstel, in een open proces met enkele gezamenlijke bijeenkomsten. Een beoordelingscommissie zou uiteindelijk beoordelen of de aanvragen van voldoende kwaliteit waren.

Vragen uit de praktijk van het Groen Onderwijs

Zo gezegd, zo gedaan. In december 2015 en februari 2016 kwamen vertegenwoordigers van het ministerie, de AOC-raad en nagenoeg alle AOC’s bijeen om belangrijke thema’s in het Groen Onderwijs te bepreken. Zij definieerden de toekomst van de ‘groene’ leerling in de 21e eeuw; een duurzame samenwerking in de regio en het integreren van een ‘Duurzame’ levensstijl in de gehele school als vraagstukken die op dit moment verder praktijkgericht onderzoek verdienen.

Het NRO deed daarna een open oproep aan onderzoekers: iedereen met relevante ervaring op dit gebied was uitgenodigd voor de eerste werkconferentie op 23 mei 2016. Op deze conferentie kwamen scholen en onderzoekers bij elkaar om samen aan de slag te gaan rondom de drie thema’s. De eerste basis voor onderzoeksconsortia werd gelegd.

Spannend

Het lijkt allemaal zo simpel… maar als medewerkers van het NRO vonden wij het nogal spannend! Normaliter kunnen wij in blissful ignorance verkeren over de dynamiek van het samenstellen van consortia; nu voelden we ons soms een relatiebureau.

Bij deze rol kwamen nieuwe vragen over onze (extra) verantwoordelijkheden… wat als een onderzoeker of school buiten de boot zou vallen? Wat als de samenwerking binnen een consortium niet soepel loopt? En als een school zich later nog zou melden? Moesten wij dan actief gaan matchmaken?

Allemaal zorgen die grotendeels onnodig bleken: tijdens de tweede werkconferentie in oktober 2016 stonden er drie bijna volledig gevormde consortia, die hun onderzoeksvoorstel al best stevig in de steigers hadden staan. En die bovendien gretig gebruik maakten van de gelegenheid tips en commentaar van elkaar te krijgen. Matchmaking door het NRO was dus niet nodig geweest – en hadden we ook niet gedaan. Ons overzicht van criteria voor het onderzoeksvoorstel én een aanvraagformat waren voldoende ‘conversatiestarters’ gebleken.

Consortia kunnen aan de slag

Inmiddels is het begin 2017. De consortia hebben hun ‘eerste volledige versie’ live besproken met de beoordelingscommissie. Daarbij kregen ze vragen en tips mee die weer in de onderzoeksvoorstellen werden verwerkt. De beoordelingscommissie heeft de definitieve voorstellen beoordeeld en ‘goed’ tot ‘zeer goed’ bevonden. De NRO Programmaraad voor Praktijkgericht Onderwijsonderzoek heeft het advies van de commissie gevolgd, en de consortia kunnen aan de slag.

Experiment geslaagd

Eind goed, al goed? Ons antwoord is een voorzichtig ‘ja’. Maar toch: het vormen van de consortia ging niet helemaal zonder slag of stoot. Het was voor iedereen zoeken naar een (nieuwe) rol in dit proces. Wel zien we aan het eind van de rit drie stevige consortia staan. Zij konden hun voorbereiding doen in het vertrouwen dat een grondige voorbereiding daadwerkelijk zou leiden tot een subsidie. Ze konden bovendien gebruik maken van de opbouwende commentaren van de andere aanvragers, die deze keer níet hun directe concurrenten waren. De consortia wisselden actief informatie en plannen uit, en kunnen dit blijven doen. En net zo belangrijk: we hebben geen consortia die óók hard gewerkt hadden aan een goed voorstel teleur moeten stellen. Er is dus weinig tot geen energie verloren gegaan.

Dit experiment is geslaagd, maar de uitkomst roept meteen de vraag op waar iedere betrokkene bij praktijkgericht onderzoek mee worstelt: hoe ‘vertalen’ we dit naar een andere context? We blijven zoeken, en hopen dat u met ons meedenkt. Uw ideeën hierover kunt u voor ons achterlaten in het reactieformulier of in een mail sturen aan ppo@nro.nl.

Judith Huisman, beleidsmedewerker Groen Onderwijs, i.s.m. Linda Sontag, secretaris PPO

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *