NRO en de kloof tussen onderwijs en onderzoek

Rob Martens bespreekt in het decembernummer van OnderwijsInnovatie NWO, en in het bijzonder het NRO, onder de titel: “Vergroot het NRO de kloof tussen onderwijs en onderzoek?” Dat vraagt om een reactie. Ik verdeel die reactie over 3 hoofdthema’s.

1. Te weinig geld voor onderwijsonderzoek

Rob Martens laat goed zien dat het NRO startte onder een weinig gelukkig gesternte: in 2013 werden niet alleen instituten die zich bezig hielden met onderwijsonderzoek sterk gekort op hun financiering of zelfs geheel wegbezuinigd. Ook het NRO zelf kreeg veel minder financiering dan was voorzien en zeker door de commissie De Graaf werd beoogd.

Dat had direct repercussies op het aantal toe te kennen projecten, terwijl juist bij de eerste ronde voor kortlopend praktijkgericht onderzoek zoveel belangstelling uit het hele land bleek te zijn voor het uitvoeren van onderzoek in consortia van scholen en onderzoekers. Van de 119 indieningen konden slecht 16 voorstellen worden gehonoreerd. Dat we zo’n groot aantal indieners moesten teleurstellen, was zorgelijk; de gevoelens van onvrede daarover zagen we in onze enquête terug, zoals Martens ook aanhaalt.

Doorzetters
Iets anders wat de enquête ons vertelde, is dat 13 aanvragers hun onderzoeksproject ook zonder NRO-financiering willen uitvoeren. Nog eens 28 gaan zeker dan wel misschien andere activiteiten uitvoeren binnen hetzelfde consortium. Het is voorstelbaar dat teleurgestelde onderwijsinstellingen een afkeer krijgen van onderzoek door afwijzing van hun aanvraag waarin zoveel moeite is gestoken, maar dat is kennelijk niet altijd het geval. Er zijn gelukkig ook samenwerkingsverbanden van onderwijsinstellingen en onderzoekers die met elkaar verder gaan, elkaar voortaan gemakkelijker weten te vinden, en waardering en begrip hebben gekregen voor elkaars werk en cultuur.
Ook doen wij ons uiterste best de afgewezen aanvragers betrokken te houden. Bijvoorbeeld door hen uit te nodigen voor bijeenkomsten waar de onderzoeksresultaten worden gepresenteerd van het onderwerp dat hun belangstelling had.

Belangstelling
Nu zijn dus 16 projecten in uitvoering die door scholen en onderzoekers samen worden vormgegeven. In november van dit jaar zullen we de resultaten daarvan kunnen zien. De startconferentie voor deze projecten liet enthousiaste deelnemers zien, met name ook uit de praktijk van het onderwijs. De belangstelling voor de tweede ronde kortlopend praktijkgericht onderzoek blijft hoog: er waren nu 60 indieners. Daarnaast loopt de ronde driejarig praktijkgericht onderzoek; hiervoor zijn 87 vooraanmeldingen ontvangen.

Het NRO ontvangt naast het structurele budget nog substantiële financiering voor incidentele programma’s. Dit gaf (tijdelijk) extra mogelijkheden voor onderwijsonderzoekers; de verhoudingen tussen hoeveelheid indieners en toekenningen is hier gelukkig minder extreem. Zie voor een overzicht van alle programma’s mijn vorige blog. Rob Martens heeft zeker een punt, als hij wijst op de te geringe en nog kleiner geworden financiering van onderwijsonderzoek. Wij zien gelukkig niet dat hierdoor de aandacht voor projecten die verbindingen leggen tussen onderwijsonderzoek en –praktijk verflauwt, en kijken uit naar de resultaten die na de zomer beschikbaar komen.

2. Bureaucratie?

Rob Martens haalt kritiek aan over de werkwijze en de hoeveelheid formatie van NWO. Wij houden het hier even bij alleen het NRO. Voor het NRO is afgesproken dat maximaal 6% van de inkomsten besteed mag worden aan activiteiten die het hele proces om te komen tot toekenning van onderzoek, ondersteunen. De huidige ruim twintig medewerkers van het NRO die Martens noemt (15 FTE) zijn vooral het gevolg van de veelheid aan incidentele programma’s (meer dan 10 miljoen euro aan uit te zetten projecten in 2014); van de twee genoemde directeuren staat er één voor 0 euro op de begroting wegens een dubbelfunctie. We ervaren dit niet als ruim.

Net democratie
Wel legt Martens de vinger op een voor ons ook zwaarwegend punt: de last voor onderzoekers (en in ons geval ook: voor onderwijsinstellingen) die voortvloeit uit het systeem van indienen en beoordelen. Tot nu toe lijkt ons hier dezelfde uitspraak van toepassing als ook wel over democratie wordt gebezigd: het is een systeem met allerlei haken en ogen, maar toch het beste van wat we nu kunnen bedenken. We delen absoluut niet de gedachte dat deze werkwijze leidt tot oneerlijke resultaten; wel tot heel veel werk. Loten over globale schetsen van projecten, zoals Martens als alternatief voorstelt, zou zeker als oneerlijk –want willekeuriger- kunnen worden ervaren en maakt een goede kwaliteitsbeoordeling lastig. Wel kijken we voortdurend -samen met collega’s van NWO en ook op grond van suggesties uit het onderzoeksveld- of er vereenvoudigingen mogelijk zijn; alternatieven gaan we zeker niet uit de weg.

3. Overbruggen van de kloof

Voor een betere wisselwerking van beleid, praktijk en onderzoek op het terrein van onderwijs is het NRO opgericht. Met geringe middelen gaat dat uiteraard moeizaam, maar mogelijkheden tot bevordering zien we nog steeds. Naast de stimulering die we kunnen geven via subsidies aan onderzoeksprojecten waarin die wisselwerking tot uiting komt, kijken we ook hoe we andere initiatieven om onderzoek en praktijk te verbinden kunnen ondersteunen. Concrete voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van kennisdossiers op Leraar24, de inrichting van een portal met websites die onderzoeksresultaten samenvatten, en het eerste NRO-congres voor het onderwijs op 4 november dit jaar.

Met een gelukkig toenemende aandacht voor het belang van onderzoek en onderzoeksresultaten voor docenten (zoals nu ook in de curricula van lerarenopleidingen en in samenwerking tussen lerarenopleidingen, onderwijsonderzoekers en scholen tot uitdrukking komt), verwachten wij veel medestanders te vinden in onze zoektocht naar de beste verbindingen tussen onderzoek en praktijk.

Voor alle suggesties om hier verdere verbeteringen in te realiseren houden we ons van harte aanbevolen.

Jelle Kaldewaij, directeur NRO

1 reactie

  1. Miriam Goes schreef:

    Ook ik heb de verregaande bezuinigingen aan den lijve mogen ondervinden bij de reorganisatie van het Ruud de Moorcentrum. Maar dit biedt ook kansen. Er zijn vele goede onderzoekers op de markt gekomen en die kunnen ook de verbinding tussen onderzoek en praktijk leggen. Zij zijn flexibel inzetbaar en niet gebonden aan universiteiten of instellingen. Dit kan een groot voordeel zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *