Onderwijsstelsels vergeleken: leren werken en burgerschap

Projectnummer
411-10-920
Titel
Educational systems and four central functions of education
Looptijd
1-9-2011 t/m 1-3-2016
Onderwijssector
vo, mbo
Thema
Beleid en bestel, Kwaliteitszorg, Pedagogische functie van het onderwijs, Schooleffectiviteit
Status
Afgerond

Het Nederlandse onderwijsstelsel heeft een aantal kernelementen die elk nadere discussie behoeven. Zowel de vroege selectie, als de standaardisatie van toetsen en de beroepsgerichtheid van het systeem, zijn regelmatig onderwerp van debat. Hoewel soms de indruk ontstaat dat het Nederlandse onderwijsveld met vele beleidsveranderingen te kampen heeft gehad, laat het onderzoek zien dat deze eigenschappen al sinds jaar en dag het Nederlandse onderwijsbestel karakteriseren. Aan de hand van internationale vergelijkingen laten de bevindingen in dit onderzoeksproject zien dat daar ook alle reden voor is: deze stelselkenmerken zijn alle van invloed op de realisatie van de centrale functies van het onderwijs. Zo blijkt uit het onderzoek dat centrale toetsing bij de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs de sociale ongelijkheid kan verkleinen. Daarnaast wordt de arbeidsmarkt, ook vandaag de dag, beter bediend in een onderwijssysteem met een omvangrijk stelsel van beroepsopleidingen. In vroeg-selecterende onderwijsstelsels zijn sociale en etnische ongelijkheden doorgaans groter, omdat leerlingen uit verschillende milieus in verschillende scholen terecht komen.

Selectie en differentiatie

In landen die relatief vroeg selecteren, zoals in Nederland en Duitsland, zijn de verschillen in leerprestaties naar sociaal milieu groter dan in landen waar die selectie op latere leeftijd plaatsvindt, zoals Finland en Zweden. Dit komt duidelijk niet alleen door de verschillen die al zichtbaar zijn voordat kinderen naar school gaan. Het gaat hier om verschillen die bij een keuze- of selectiemoment ontstaan. Kinderen met laagopgeleide ouders stromen in ons stelsel vaker door naar lagere schooltypen dan kinderen met vergelijkbare prestaties, maar met hoogopgeleide ouders.

Een belangrijke vraag is wat er gebeurt als we het selectiemoment uitstellen om deze ongelijkheid tegen te gaan. De grootste zorg is wat de gevolgen zijn voor het gemiddelde niveau van de prestaties. Gaat meer gelijkheid ten koste van het gemiddelde prestatieniveau? Het feit dat de best presterende landen pas op latere leeftijd selecteren – met Finland als bekendste voorbeeld – wekt de indruk dat uitstel niet noodzakelijk nadelig hoeft te zijn voor het gemiddelde niveau. Dat is echter onvoldoende bewijs, omdat ook andere factoren van invloed kunnen zijn op de prestaties van een land. Voor die factoren moeten we in ons onderzoek dus controleren.

De meeste internationale prestatie-indicatoren stellen ons niet in staat om leerlingen in de tijd te volgen, waardoor we niet met stelligheid kunnen aannemen dat de gevonden correlaties ook werkelijk oorzakelijke verbanden zijn. Ondanks dat voorbehoud lijkt het er toch op dat de gemiddelde prestaties in een land niet samenhangen met de mate van selectie in de eerste fase van het secundair onderwijs. Dit geldt overigens alleen voor landen waar de condities gunstig zijn, zoals een hoog ontwikkelingspeil, goed opgeleide leraren en niet al te grote klassen. We moeten ons echter hoeden voor al te stellige uitspraken. In de eerste plaats is het niet zo dat er in stelsels met een latere selectie en zonder hiërarchisch geordende schooltypen geen kansenongelijkheid tussen sociale milieus bestaat. Het verschil komt daar alleen anders tot stand. De leerlingen worden binnen de school ingedeeld naar niveau voor alle vakken of kiezen voor vakken op verschillende niveaus. Het voordeel hiervan is dat de doorstroom wat soepeler georganiseerd kan worden en de afstroom voor een leerling minder dramatisch is. De leerling blijft immers op dezelfde school.

Toch blijkt dat ook in minder gedifferentieerde stelsels de kans op afstroom of een lager gewaardeerd vakkenpakket groter is voor leerlingen uit de lagere sociale milieus dan de hogere milieus. In een sterk gedifferentieerd systeem als het Nederlandse zijn die milieuverschillen juist zichtbaar door de verschillende schooltypen. Wanneer de mogelijkheden voor mobiliteit (stapelen) binnen een dergelijk stelsel worden beperkt, wordt de niveauselectie bij de overgang van primair naar voortgezet onderwijs in feite steeds meer bepalend voor het verloop van de schoolloopbanen. Daarmee zou het Nederlandse stelsel ook zijn relatieve voordeel ten opzichte van het Duitse stelsel (waar slechts beperkte mobiliteitskansen bestaan) verliezen.

Het nut van de objectieve standaarden van centrale toetsen

Een objectieve toets bij de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs kan de verschillen tussen milieus in schoolloopbanen verkleinen. Met een dergelijke toets speelt milieu een minder grote rol bij het advies voor het vervolgonderwijs dan zonder die toets. Het verschuiven van die toets naar een later tijdstip, waardoor het gewicht van het schooladvies toeneemt, lijkt niet verstandig vanuit het oogpunt van sociale gelijkheid. We zagen dat er tussen leerlingen met een gelijke eindtoetsscore en intelligentie sociale verschillen bestaan in de advisering. Met het uitstel van de centrale eindtoets in het basisonderwijs is het denkbaar dat ongelijkheid zal toenemen, omdat subjectieve processen in gezinnen en scholen een grotere rol kunnen gaan spelen bij de niveauplaatsing in het voortgezet onderwijs. Een objectieve standaard zorgt ervoor dat leerlingen in een schooltype terechtkomen op basis van hun eerdere prestaties, zonder dat niet-cognitieve factoren (zoals het sociale milieu van de ouders) daarin meespelen. Onze onderzoeksresultaten ondersteunen deze gedachte.

In landen waar een centrale toetsing ontbreekt, zoals in België, is de sociale ongelijkheid groter dan in Nederland. Ook blijken de sociale verschillen in sterk gedifferentieerde stelsels minder groot te worden als er centrale examens zijn. Blijkbaar hebben leraren in een systeem van centrale examinering, zoals in Nederland het geval is, een betere richtlijn voor de niveau-advisering van alle leerlingen. Overigens bleek dat een centrale beoordeling van de prestaties van scholen op burgerschapsvorming de verschillen tussen leerlingen vergroot. Mogelijk zijn objectieve standaarden vooral belangrijk voor vakken waar scholen veel aandacht aan besteden en werken objectieve standaarden voor burgerschap juist ongelijkheid in de hand, omdat leerlingen hier vooral van profiteren als zij in gezinnen opgroeien waar maatschappelijke betrokkenheid meer wordt bediscussieerd en beleefd.

Een (volwaardige) beroepsopleiding behoudt zijn kracht

De waarde van sterke differentiatie voorafgaand aan de leeftijd van 16 jaar is vanuit beroepsgerichtheid (arbeidsmarktkansen) beperkt, maar heeft na die leeftijd in het middelbaar beroepsonderwijs wel grote voordelen. Over het algemeen zijn de percentages werklozen onder mbo’ers lager dan onder leerlingen van andere opleidingsniveaus.

Dit geldt vooral voor mbo-niveau 3 en 4 en veel minder voor de lagere mbo-niveaus. Wat beroepsstatus betreft is er een cesuur tussen mbo 4 en de drie lagere niveaus. Als we naar de veranderingen in de tijd kijken, dan blijkt dat de positie van mbo 4 en in zekere mate ook mbo 3 sinds 1996 beslist niet slechter is geworden. Dat is een opvallend gegeven, omdat in de onderzochte periode sprake was van een enorme technologische vooruitgang en een diepgaande crisis.

Bovenstaande gunstige uitkomsten voor gediplomeerden suggereren dat werkgevers niet altijd de voorkeur geven aan algemeen geschoolde jongeren boven die uit het beroepsonderwijs. Uit ons onderzoek blijkt echter wel dat dit relatieve voordeel van mbo-gediplomeerden vooral samenhangt met de mate waarin er een sterke band is tussen werkgevers en onderwijsinstellingen, die zich uit in de vormgeving van het onderwijsprogramma. Het zorgt er niet alleen voor dat studenten beroepsspecifieke bekwaamheden verwerven, maar het reduceert ook de kans dat ze worden opgeleid voor beroepen die vrijwel niet voorhanden zijn.

We hebben niet gevonden dat een omvangrijk beroepsgericht stelsel nadelig zou uitpakken voor de latere carrière. Lager opgeleiden hebben doorgaans slechtere vooruitzichten na het vijftigste levensjaar dan hoger opgeleiden, maar dit is een patroon dat we in alle landen vinden en dat niet samenhangt met het beroepsonderwijsstelsel. In Nederland zien we vooral convergentie tussen opleidingsniveaus in het hebben van werk; het voordeel van de beroepsopgeleiden verdwijnt in de latere loopbaan, maar verandert niet in een nadeel.​


Projectleider

Naam projectleider
Instelling projectleider
E-mailadres projectleider
Prof. dr. H.G. van de Werfhorst
Universiteit van Amsterdam
Relevante link(s)

Deze NRO-projectendatabase is in ontwikkeling en zal stap voor stap worden verbeterd. We horen graag uw reacties. Stuurt u deze alstublieft naar: webbeheernro@nwo.nl