Waarom onderwijsonderzoek geen chiazaadje is

Het was fijn geweest als wetenschap kant-en-klare antwoorden zou hebben. Zo werkt het alleen niet. Bij dringende vragen vanuit de onderwijspraktijk en het onderwijsbeleid is dat soms een lastige boodschap. Ik zie dit ook terug bij het NRO-onderzoeksprogramma over de Lerarenagenda.

door Gitta Snijders, beleidsmedewerker NRO

Voor het geval u het had gemist: het was afgelopen maanden zomer in Nederland en daarom ook dé tijd van min of meer komkommernieuws en natuurlijk Zomergasten. Rosanne Hertzberger (microbiologe, columniste) was de eerste gast dit jaar. Ze liet o.a. filmpjes zien van succesvolle foodbloggers: twee fris uitziende jonge vrouwen van Green Happiness en een vrolijke, bebaarde jongen die het zogeheten Paleodieet verkondigde. Geen wetenschappelijk bewezen ideeën, maar wel commerciële successen. Het NRC Handelsblad publiceerde eerder een interview met de Green Happiness dames, met daarin het volgende juweeltje:” Ze zijn geen wetenschappers, zeggen ze. Ze vertellen alleen wat je diep van binnen al wist.”

Als reactie op de vraag van presentatrice Janine Abbring waarom toch zo massaal achter dit soort mensen en ideeën aangehold wordt, legde Hertzberger een pijnlijke waarheid bloot over voedingswetenschap, maar eigenlijk over wetenschap in het algemeen. Deze foodbloggers bieden praktische gebruiksaanwijzingen en stappenplannen voor een gelukkig, gezond leven. De wetenschap doet dat niet en stelt daardoor de naar houvast zoekende mens eigenlijk steeds een beetje teleur. En terwijl de wetenschap steeds wantrouwiger bekeken wordt, hollen hele volksstammen, op zoek naar simpele stappenplannen, achter dit soort lifestyle-hypes aan.

Wetenschappelijk onderzoek, en zeker ook sociaal-wetenschappelijk onderzoek, is niet een kwestie van aan een paar knopjes draaien en dan de gewenste uitkomst krijgen. We zouden het graag anders willen, in deze tijd van chiazaadjes en avocado-tarwegras-slowjuices. Kant-en-klare oplossingen, met gegarandeerd succes. Het middeleeuwse kwakzalfje, terug van nooit echt weg geweest. Ook in de wereld van onderwijs en onderwijsonderzoek zie ik hetzelfde verlangen naar succesrecepten en wonderoplossingen. Maar onderwijsonderzoek is geen chiazaadje en ik moet de eerste onderzoeker dan ook nog tegenkomen die wonderen belooft. Toch lijken we soms van dit onderzoek hetzelfde te verwachten als van zogenaamde superfoods. Dit merk ik ook bij verwachtingen en vragen rondom onderzoek in het kader van de Lerarenagenda.

De Lerarenagenda en de weerbarstige praktijk

De Lerarenagenda 2013-2020 is een agenda die in 2013 door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is opgesteld om van ‘de leraar’ in Nederland een sterke, zelfbewuste en professionele beroepsgroep te maken. Op alle zeven punten van de agenda zijn en worden initiatieven gestart, met meer of minder resultaat. Het NRO financiert sinds 2015 onderzoeken in het kader van deze agenda en het ministerie zelf heeft ook verschillende onderzoeken uitgezet. Recent nog waren de bevindingen van een door NRO gefinancierd onderzoek naar Imago en status van de docent in de 21e eeuw landelijk in het nieuws.

Ook hier blijkt de werkelijkheid weerbarstig. Belangrijke kwesties laten zich niet tot een ingrediëntenlijst en receptje reduceren, laat staan tot een eenvoudig stappenplannetje in een one-size-fits-all-pakket. Thema’s als ‘meer diversiteit onder leraren’, ‘betere studenten op de lerarenopleidingen’, ‘effectievere professionaliseringsprogramma’s’ en ‘hogere status voor de docent’ klinken bedrieglijk simpel, maar zijn niet eenvoudig om beet te pakken.

Alleen al het agendapunt ‘betere studenten op de lerarenopleidingen’ laat zien dat dit een zeer complex geheel is waar geen snelle oplossing voor te verzinnen valt.

Want wat is eigenlijk ‘beter’? Wat is een ‘goede’ student? Is een goede student aan een lerarenopleiding later ook een goede docent in de klas? En zo ja, wat is dan weer precies een goede docent? Hoe zou je kwaliteit willen meten, en geldt dat dan voor iedereen en alle soorten studenten en docenten? En stel, je denkt wel degelijk vast te kunnen stellen dat er betere studenten zijn, hoe wil je identificeren waar dat aan ligt? Tenslotte beweegt zo’n student zich niet netjes in een reageerbuisje in een steriel laboratorium.

Onderwijsonderzoek doet er niet toe?

Binnen het thema ‘betere studenten op lerarenopleidingen’ loopt via het NRO sinds 2015 een onderzoek waarin specifiek gekeken wordt naar methoden van selectie en intake op lerarenopleidingen, een onderzoek dat allerminst in een steriel laboratorium plaatsvindt, maar op opleidingen die continu in beweging zijn. Dit onderzoek laat goed zien hoe lastig het is om in het Nederlandse onderwijs, in al zijn dynamiek, met autonome onderwijsinstellingen en regionale verschillen, met een eenduidig antwoord te komen of iets werkt of niet, en waarom.

Dat eenduidige antwoord is in dit type wetenschappelijk onderzoek eigenlijk niet te geven. Dat kan erg teleurstellend zijn voor de beleidsmakers of de onderwijsprofessionals die met vragen zitten en juist zitten te wachten op een praktische gebruiksaanwijzing of dat ene succesrecept, op dat chiazaadje.

Eigen denkvermogen

Wat betekent dit voor het wetenschappelijk onderzoek naar ons onderwijs? Natuurlijk niet dat dit onderzoek er niet toe doet. Het zou wat al te gek zijn als we stellen dat wetenschappelijk onderwijsonderzoek alleen van waarde is als het een universele waarheid verkondigt. Ik wil het tegenovergestelde beweren. Voor zowel onderwijswetenschappers als onderwijsprofessionals biedt onderzoek (in de volle breedte van fundamenteel, experimenteel tot praktijkgericht) een rijke en inspirerende bron van kennis en een basis voor discussie, juist omdat de resultaten zelden één op één toepasbaar zijn in de eigen praktijk. De contextuele verschillen vragen van onderzoekers én professionals stevige kritische reflectie op basis van de kennis en ervaring die zij zelf meebrengen. Onderzoekers zouden zich voortdurend bewust moeten blijven van de noodzaak van nuance en reflectie en hoe al te stevige afspraken soms overspannen verwachtingen kunnen wekken. Het lezerspubliek, de beleidsmakers, de docenten, de bestuurders, zouden niet linea recta hun kritisch oordeelsvermogen en eigen expertise de deur uit moeten doen als zij succesresultaten lezen. Zij moeten geen razendsnelle wondermiddelen en kant-en-klare stappenplannen verwachten, maar mogen er van uitgaan dat zij als professionals op hun eigen denkvermogen worden aangesproken.

Een beetje geduld en gezond verstand tussen de chiazaadjes kan geen kwaad.  Onderwijswetenschappers vertellen tenslotte niet ‘wat je diep van binnen al weet’, maar doen serieus wetenschappelijk onderzoek.  Ik denk zowaar dat we daar in ons onderwijs een stuk verder mee komen, dan met de zoveelste lifestyle-, of lesstijl-, hype.

Gitta Snijders, beleidsmedewerker Lerarenagenda

Meer informatie over de onderzoeken van NRO in het kader van de Lerarenagenda vindt u op de programmapagina.