Kortetermijnevaluatie Verschillen in aanpak Passend Onderwijs basis- en middelbare scholen

Projectnummer
405-14-750
Titel
Samenwerkingsverbanden voeren Passend Onderwijs uit. Onderzoek naar de stand van zaken en typologie samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs
Programma
Organisatie
NRO
Looptijd
1-10-2014 t/m 1-3-2015
Onderwijssector
po, vo
Thema
Differentiatie en omgaan met verschillen
Status
Afgerond

Samenwerkingsverbanden van scholen in het primair en voortgezet onderwijs gebruiken de vrijheid die de Wet Passend Onderwijs hun biedt om zelf te bepalen hoe ze zorgleerlingen ondersteunen. Hierdoor ontstaan behoorlijke verschillen in aanpak. Dit blijkt uit een startmeting onder zo’n 100 samenwerkingsverbanden in primair en voortgezet onderwijs. Individuele schoolbesturen die calculerend gedrag vertonen – bijvoorbeeld om de zorgplicht te ontlopen – vormen het grootste risico, menen directeuren van de samenwerkingsverbanden.
Sinds 1 augustus 2014 is de Wet Passend Onderwijs van kracht. Scholen in primair en voortgezet onderwijs krijgen het geld voor extra ondersteuning van leerlingen die dat nodig hebben – het voormalige ‘rugzakje’ – niet langer rechtstreeks van het Rijk. In plaats daarvan wordt het budget verdeeld over 77 regionale samenwerkingsverbanden voor primair onderwijs en 75 voor voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs (PO) verbindt een samenwerkingsverband gemiddeld ruim negentig hoofd- en nevenlocaties van scholen, in het voortgezet onderwijs (VO) 23.

Grotere vrijheid wordt gewaardeerd

Een samenwerkingsverband mag zelf beslissen hoe het elk kind biedt wat het nodig heeft; waar vroeger het ‘rugzakje’ samenging met een indicatiestelling en vaste voorschriften voor de besteding. Bovendien zal de komende vijf jaar het gemiddelde budget per kind over alle samenwerkingsverbanden worden gelijkgetrokken. Regio’s die in het verleden veel leerlingen in (voortgezet) speciaal onderwijs hadden en/of ‘rugzakjes’ aanvroegen, zullen dus moeten bezuinigen. In andere regio’s komt er extra geld beschikbaar. Over het algemeen zijn de directeuren van samenwerkingsverbanden blij met de grotere vrijheid.

Startmeting bij invoering Passend Onderwijs

Onderzoekers van onderzoeksbureau Sardes vroegen, via vragenlijsten en interviews, directeuren van de regionale samenwerkingsverbanden naar hun ervaringen en verwachtingen. Daarnaast keken onderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen (GION) aan de hand van kengetallen, vragenlijsten en ondersteuningsplannen naar overeenkomsten en verschillen tussen de samenwerkingsverbanden. Deze startmeting vormt de basis voor een langetermijnevaluatie van Passend Onderwijs, die loopt tot en met 2020.
De samenwerkingsverbanden hebben hard gewerkt om alle deadlines te halen en hun ondersteuningsplannen op tijd klaar te hebben en zijn daar ook in geslaagd, zo blijkt. Nog niet alles is uitgekristalliseerd, maar men hoopt al werkende weg meer duidelijkheid te krijgen over de invulling van rollen en regels.

Centrale of decentrale ondersteuning

De beleidsvrijheid die Passend Onderwijs biedt, is benut. Het belangrijkste verschil tussen samenwerkingsverbanden is de mate waarin Passend Onderwijs centraal of decentraal ondersteund wordt. Ongeveer twee derde van de samenwerkingsverbanden organiseert een uitgebreid ‘bovenschools’ aanbod aan diensten, zo blijkt. Hieronder vallen bijvoorbeeld indicatie van leerlingen, training van medewerkers, informatievoorziening, klachtenverwerking en administratief beheer.
In het primair onderwijs richt de centrale ondersteuning zich vaker op leerlingen, leraren en ouders. Hier worden de leerkrachten over het algemeen nauw betrokken bij de vormgeving en uitvoering van Passend Onderwijs. In het voortgezet onderwijs richt de centrale ondersteuning zich vaker op schooldirecties.
Een minderheid van de samenwerkingsverbanden fungeert vooral als doorgeefluik van budget. Het wordt dan aan schoolbesturen zelf overgelaten welke leerlingen zij ondersteunen en hoe ze dit doen. In deze regio’s hangt het sterk van de competenties van schoolleiders en docenten af of Passend Onderwijs een succes wordt.

Calculerend gedrag

Als belangrijkste faalfactor voor het welslagen van Passend Onderwijs noemen de directeuren van samenwerkingsverbanden in zowel PO als VO mogelijk calculerend gedrag van individuele schoolbesturen. Het bestuur van de school waar een leerling zich aanmeldt, is volgens de nieuwe wet verplicht hem of haar de ondersteuning te bieden die nodig is. Ook als dit veel extra geld kost. Besturen kunnen voor deze verantwoordelijkheid weglopen. Bijvoorbeeld door ‘dure’ leerlingen en hun ouders ervan te overtuigen dat een andere school geschikter is, of hun te vertellen dat ze geen plek hebben.
Dergelijk strategisch aanmeldingsbeleid zou de keuzevrijheid voor leerlingen en hun ouders beperken en de solidariteit binnen samenwerkingsverbanden onder druk zetten. Zeker in regio’s waar bezuinigd moet worden, is dit een reëel en groot risico. Aanscherping van de regels voor aanmeldingsprocedures zou het probleem enigszins kunnen ondervangen.

Bij de publicaties hieronder zijn de onderzoeksrapporten opgenomen:

  • Deelrapport A over de stand van zaken: IJ. Jepma, S. Beekhoven (Sardes), ‘Richting en inrichting van Passend onderwijs in samenwerkingsverbanden. Deelonderzoek A: Stand van zaken samenwerkingsverbanden Passend onderwijs primair onderwijs en voortgezet onderwijs’
  • Deelrapport B over de typologie: L.T.M. Rekers-Mombarg, R.J. Bosker (GION/RUG), ‘Richting en inrichting van Passend onderwijs in samenwerkingsverbanden. Deelonderzoek B: Typering van samenwerkingsverbanden voor Passend onderwijs’

Projectleider

Naam projectleider
Instelling projectleider
Prof. dr. R.J. Bosker
Rijksuniversiteit Groningen
Relevante link(s)

Deze projectendatabase onderwijsonderzoek is in ontwikkeling en zal stap voor stap worden verbeterd. We horen graag uw reacties. Stuurt u deze alstublieft naar: webbeheer@nro.nl.