Projectendatabase onderwijsonderzoek

Welkom in de projectendatabase onderwijsonderzoek van het NRO. In deze database vindt u alle onderzoeksprojecten van het NRO, aangevuld met onderzoeksprojecten van andere organisaties. Meer informatie over deze database.

Leerlingen met autisme effectief ondersteunen bij sociale interactie in de klas.

Titel
Leerlingen met autisme effectief ondersteunen bij sociale interactie in de klas.
Onderwijssectori
De sector waar het project zich op focust. Een project kan op meerdere sectoren betrekking hebben.
basisonderwijs
Thema
Pedagogische functie van het onderwijs
Organisatiei
Door welke organisatie wordt het project uitgezet. NB: dit is niet per definitie hetzelfde als de instelling van uitvoering.
NRO
Instelling projectleider
Hanzehogeschool Groningen
Naam projectleider
Dr. C.H. Geveke
Onderzoeksmethodei
Dit filter is in ontwikkeling. Een project kan met meerdere onderzoeksmethoden worden gelabeld.
overzicht
Statusi
Indicator of het project reeds afgerond, lopend, of nog aankomend is.
Afgerond
Looptijd
1-5-2018 t/m 28-2-2019
Programma
Projectnummer
405-18-638
Sinds de invoering van de Wet Passend onderwijs zijn leerkrachten in het regulier primair onderwijs verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend onderwijsaanbod voor alle kinderen. Hiertoe behoren ook leerlingen met een autismespectrumstoornis (ASS). Kinderen met ASS hebben onder andere moeite met sociale interactie. Omdat onduidelijk is welke ondersteuningsvormen toepasbaar zijn in de klas en passen bij de specifieke behoeftes van ASS-leerlingen, richt deze thematische overzichtsstudie zich op de volgende onderzoeksvraag: Wat is er in de literatuur bekend over de ondersteuningsbehoeftes van kinderen met een autismespectrumstoornis en welke ondersteuningsvormen uit effectieve interventies gericht op het verbeteren van de sociale interactie op school, sluiten aan bij deze ondersteuningsbehoeftes? Aan de hand van de kenmerken zoals gedefinieerd in de DSM-V zijn de ondersteuningsbehoeftes in kaart gebracht: sociaal-emotionele wederkerigheid, non-verbale communicatie en relaties. Er is gekeken naar specifiek kenmerkend gedrag en naar maskeringen daarvan.

Uit de artikelen over effectieve interventies op het gebied van sociale interactie die op school zijn uitgevoerd, zijn ondersteuningsvormen gehaald: directe instructie, modeling door video, modeling door volwassene, modeling door medeleerlingen, modeling door zichzelf en Social Stories (sociale verhalen). In de synthese komt naar voren welke ondersteuningsvormen die toepasbaar zijn in de klas, passen bij de ondersteuningsbehoeftes van kinderen met ASS en op welke wijze deze vormen passend kunnen worden ingezet. In de discussie bespreken we welke ondersteuningsbehoeftes in mindere mate aangepakt worden in de geselecteerde interventies, hoe het effect van de interventies verder versterkt zou kunnen worden en welke implicaties deze studie heeft voor vervolgonderzoek.

Sinds de invoering van de Wet Passend onderwijs zijn leerkrachten in het regulier primair onderwijs verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend onderwijsaanbod voor alle kinderen. Hiertoe behoren ook leerlingen met een autismespectrumstoornis (ASS). Om leerlingen met autisme te kunnen ondersteunen in de klas is het nodig te weten welke ondersteuningsbehoeftes zij hebben. Echter vaak worden tekenen van een autistische stoornis niet of niet op tijd gesignaleerd, terwijl er toch sprake is van autisme. Kenmerken van autisme kunnen “onzichtbaar” zijn, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een bijkomende andere stoornis die meer in het oog springt of omdat het kind op de een of andere manier zijn of haar problemen weet te compenseren of te maskeren. Daarnaast maakt de diversiteit waarin het gedrag zich openbaart het lastig om kinderen met ASS te herkennen, als ook hun specifieke behoefte aan ondersteuning. Belangrijk is echter dat álle leerlingen met kenmerken van autisme, effectieve ondersteuning in de klas krijgen, passend bij hun ondersteuningsbehoeftes. Interventies om kinderen met ASS te ondersteunen in de sociale interactie hebben maar beperkt effect. Een belangrijke oorzaak voor het uitblijven van effect is dat kinderen met ASS veelal in therapeutische setting vaardigheden aanleren, die moeilijk te generaliseren zijn.

Daarom is het van belang dat interventies uitgevoerd worden in de klas en bovendien worden afgestemd op de leerling met ASS. De leerkracht speelt een belangrijke rol om de juiste ondersteuning te bieden. Omdat onduidelijk is welke ondersteuningsvormen de leerkracht kan gebruiken om de leerling met ASS in de sociale interactie te kunnen ondersteunen, zodanig dat ze passen bij de specifieke behoeftes die zij hebben, richt deze thematische overzichtsstudie zich op de volgende onderzoeksvraag: Wat is er in de literatuur bekend over de ondersteuningsbehoeftes van kinderen met een autismespectrumstoornis en welke ondersteuningsvormen uit effectieve interventies gericht op het verbeteren van de sociale interactie op school, sluiten aan bij deze ondersteuningsbehoeftes?

Vervolgens beschrijven we het onderzoek langs drie onderzoeksvragen:
  1. Wat zijn de ondersteuningsbehoeftes van kinderen tussen 4 en 12 jaar die ASS hebben?
  2. Welke ondersteuningsvormen die in effectieve interventies gericht op het verbeteren van de sociale interactie worden geformuleerd, zijn toepasbaar in de klas?
  3. Welke ondersteuningsvormen uit effectieve interventies die in de klas gebruikt kunnen worden, sluiten aan bij de ondersteuningsbehoeftes van kinderen met ASS?
Deze studie is begonnen met een zoekproces waarbij relevante literatuur uit diverse databases is gebruikt. Hierbij zijn twee search strings opgesteld: één voor het beantwoorden van de eerste vraag en één voor de tweede vraag. Vervolgens zijn aan de hand van algemene en inhoudelijke criteria, artikelen geselecteerd en dubbele exemplaren verwijderd. De overgebleven 994 artikelen zijn gescreend op basis van titel en abstract op inclusiecriteria. Tien procent is dubbel gescreend, de interbeoordelaarsbetrouwbaarheidscore was gemiddeld 85%. 84 artikelen zijn uiteindelijk geanalyseerd. Voor het lezen zijn schema’s gemaakt: algemene schema’s gericht op de methode van onderzoek en inhoudelijke schema’s gericht op de ondersteuningsbehoeftes en -vormen. Tien procent van de artikelen is dubbel gelezen en gecodeerd. De gemiddelde interbeoordelaarsbetrouwbaarheidscore was daarbij 82%. Tijdens het leesproces vielen nog eens 25 artikelen af, omdat ze niet aan de inclusiecriteria voldeden. De data zijn deels deductief en deels inductief gecodeerd via constant comparatieve analyse (Corbin & Strauss, 2008; Glaser, Strauss, & Strutzel, 1968), waarbij vanuit de data verschillende ondersteuningsbehoeftes en ondersteuningsvormen uit de interventies werden gedestilleerd. Vanuit de twee aparte onderzoekslijnen is een synthese gevormd waarmee antwoord wordt gegeven op de laatste onderzoeksvraag: welke ondersteuningsvormen passen bij de ondersteuningsbehoeftes?

Om de eerste vraag gericht op de ondersteuningsbehoeftes te beantwoorden, hebben we de indeling van de DSM-V gehanteerd.
  1. Sociaal-emotionele wederkerigheid: Op dit gebied zijn de volgende behoeftes gevonden: sociale vaardigheid ontwikkelen, wederkerige interactie stimuleren, sociaal-emotioneel begrip vergroten en taalvaardigheid verbeteren.
  2. Non-verbale communicatie: Met betrekking tot dit gebied kwam naar voren dat het nodig is om non-verbaal gedrag en de integratie met verbaal gedrag te verbeteren, maar het aantal behoeftes dat werd benoemd, was aanmerkelijk minder dan bij sociaal-emotionele wederkerigheid.
  3. Relaties: Op dit gebied kwamen de volgende behoeftes naar voren: behoefte om relaties te ontwikkelen en de kwaliteit ervan te vergroten, het stimuleren van joint engagement/spel en het stimuleren van sociaal gewenst gedrag. Enkel behoeftes op het gebied van relaties zijn door leerlingen zelf verwoord. Andere behoeftes zijn door onderzoekers of leerkrachten verwoord.
​De tweede onderzoeksvraag focuste zich op in de klas toepasbare ondersteuningsvormen die geformuleerd zijn in effectieve interventies, gericht op het verbeteren van de sociale interactie. De interventies die in de geselecteerde artikelen voorkwamen waren sociale vaardigheidstrainingen (social skill training), interventies waarbij de leeftijdsgenoten getraind worden (peer mediated interventies), interventies waarbij de volwassene getraind wordt (adult mediated interventies) en interventies waarbij zowel de leeftijdsgenoten als volwassenen getraind worden (peer & adult mediated interventies).

In de literatuur kwamen zes ondersteuningsvormen naar voren.
  1. Directe instructie: hierbij wordt een vaardigheid of gedrag uitgelegd. Ook wordt direct instructie gebruikt om aan te sporen, aanwijzingen en bekrachtigen te geven.
  2. Video-modeling: hierbij wordt een sociale situatie voorgedaan met behulp van een video of game. De situatie wordt vervolgens nagespeeld.
  3. Modeling door volwassene: hierbij doen de volwassene voor hoe een vaardigheid toegepast wordt.
  4. Modeling door medeleerlingen: hierbij doet de medeleerling voor hoe een vaardigheid toegepast wordt.
  5. Modeling door zichzelf: hierbij worden kaarten gebruikt ter herinnering aan de geleerde vaardigheden.
  6. Social stories (sociale verhalen): hierin wordt een bepaald gedrag of een sociale situatie omschreven met de gewenste reactie om specifieke sociale situaties te begrijpen en ze daarna zelf goed toe te kunnen passen.
Uit de synthese bleek dat de meest gebruikte interventie om de wederkerige sociaal-emotionele interactie te ondersteunen de social skills training te zijn, waarbij diverse
ondersteuningsvormen kunnen worden gecombineerd. Hierbij is een veel voorkomende ondersteuningsvorm directe instructie. Ook interventies waarbij de leeftijdsgenoten worden getraind om gedrag voor te doen, komen veel voor.

Wat betreft non-verbale communicatie blijken sociale vaardigheidstrainingen gericht op emoties, gebaren en richten van de blik het meeste voor te komen. Hierbij wordt modeling door volwassenen, medeleerlingen en/of video ingezet. Naast dat er opvallend weinig ondersteuningsbehoeftes werden genoemd gericht op non-verbale communicatie, waren ook maar weinig interventies hierop gericht. Het is duidelijk geworden dat er vaak sprake van een overlap met sociaal-emotionele wederkerigheid en relaties is.

De meeste interventies die zich richten op relaties, zijn interventies waarbij medeleerlingen getraind worden en een sociaal netwerk rondom de ASS-leerling wordt gevormd. Door bij de medeleerlingen bewustwording en empathie te creëren en manieren aan te dragen die ondersteuning in de omgang met de leerling met ASS, verbeteren de vaardigheden van de leerling met ASS zelf. Vormen van ondersteuning zijn modeling door medeleerlingen die laten zien hoe je kunt spelen en de leerling met ASS uitnodigen en accepteren in hun sociale netwerk. De volwassene geeft directe instructie aan de medeleerling in de vorm van aanwijzingen en bekrachtiging en de volwassene kan gedrag ook modelen. Ondersteuning vindt met name op het speelplein en in de pauze plaats.

In de discussie bespreken we welke ondersteuningsbehoeftes in mindere mate aangepakt worden in de geselecteerde interventies, hoe het effect van de interventies verder versterkt zou kunnen worden en welke implicaties deze studie heeft voor vervolgonderzoek. Ten eerste kwam duidelijk naar voren dat meisjes met ASS specifieke ondersteuningsbehoeftes hebben, met name om zich staande te kunnen houden in een meisjesgroep. De interventies in deze studie waren echter niet aangepast aan deze behoeftes. Daarnaast is het opvallend dat uit de literatuur blijkt, dat er behoefte is aan de ontwikkelingen van taalvaardigheden, executieve functies, redeneervaardigheden en zelfregulatie.

In de interventies wordt hier echter geen expliciete aandacht aan besteed. Ook wordt in interventies weinig aandacht besteed aan het reduceren van internaliserend en externaliserend gedrag. Juist vanwege de inclusie in het regulier onderwijs van leerlingen met ASS, zou hier in de ondersteuning binnen het onderwijs aandacht aan besteed moeten worden. Interventies in de natuurlijke setting, waarbij de medeleerlingen betrokken worden en vaardigheden in de natuurlijke setting worden aangeleerd, lijken het beste resultaat te hebben. Echter zijn ze in de meeste gevallen door de onderzoeker uitgevoerd en niet door de leerkracht. Idealiter voert de leerkracht de interventie zelf uit en worden ouders ook betrokken bij de interventie, zodat vaardigheden gegeneraliseerd kunnen worden.

In vervolgonderzoek zou aandacht besteed kunnen worden aan het bevragen van de kinderen zelf over hun ondersteuningsbehoefte. Het onderzoek kan zich richten op het ontwerpen van een interventie in de natuurlijke setting van de klas, waarbij gefocust wordt op deze behoeftes van de leerling met ASS. Met behulp van procesobservatie zou voor, tijdens en na de interventie gekeken kunnen worden hoe de interactie zich ontvouwt.​​

Relevante link(s)

Deze projectendatabase onderwijsonderzoek is in ontwikkeling en zal stap voor stap worden verbeterd. We horen graag uw reactie. Stuurt u deze alstublieft naar: webbeheer@nro.nl.