Motivatie en zelfregulering in de onderbouw van het voortgezet onderwijs

Projectnummer
411-07-124
Titel
Development in motivation for school and self-regulation of students in different learning contexts in the lower tracks of secondary education
Programma
Samenhangende onderzoeksprojecten
Organisatie
NRO
Looptijd
16-4-2009 t/m 15-4-2013
Onderwijssector
vo
Thema
Kwaliteitszorg, Onderwijsontwerp en curriculumontwikkeling, Organisatie en management
Status
Afgerond

Voor leerlingen in het voortgezet onderwijs is de leeromgeving van invloed op de motivatie voor school. Interacties tussen docent en leerling die ondersteunend zijn aan de autonomie, competentie en betrokkenheid van de leerlingen, hebben een positief effect op hun motivatie.  Dit is één van de belangrijkste conclusies in het onderzoek dat Kim Stroet deed aan de Rijksuniversiteit Groningen.Motivatie is een voorwaarde voor succes. Leerlingen die zelf het nut van hun schoolwerk inzien of hun schoolwerk leuk vinden, doen hun best om goede prestaties te behalen en slagen daar vaak ook in. Maar na de overstap naar het voortgezet onderwijs daalt bij veel leerlingen de motivatie voor school. De leeromgeving is daarbij een bepalende factor, blijkt uit Stroets proefschrift. De kennis uit dit onderzoek kan uiteindelijk door scholen gebruikt gaan worden om dalingen in de motivatie tegen te gaan.

Docenthandelen en schooltype

Behalve ondersteuning van de autonomie, competentie en betrokkenheid van leerlingen, is het voor hun motivatie ook van belang dat docenten consequent zijn, zowel in hun eigen handelen als met het hele team. Wanneer verschillende docenten elementen van verschillende onderwijsbenaderingen hanteren – bijvoorbeeld op scholen die traditionelere en nieuwere opvattingen combineren -, kan dat voor de leerlingen verwarrend zijn en hun motivatie verlagen.
Verder is er een verschil in motivatie bij leerlingen op verschillende schooltypes (zonder dat het schooltype zelf bepalend is); variërend van meer ‘traditioneel’, docent-gestuurd, tot meer innovatief en leerling-gestuurd. Het schooltype hangt daarnaast ook samen met de mogelijkheden van docenten. Zo hebben docenten in prototypisch traditionele scholen weinig mogelijkheden voor gedifferentieerde instructie, wat juist een belangrijke manier is om het competentiegevoel van leerlingen te ondersteunen. Daarom zijn volgens Stroet niet alleen interventies nodig gericht op individuele docenten, maar ook interventies die ingrijpen op het niveau van de school. Alleen dan is het mogelijk langdurige effecten op de motivatie van leerlingen te waarborgen.

Onderzoek ín de klas

Bijzonder aan het onderzoek is dat Stroet een longitudinale studie uitvoerde waarbij zij onderzocht wat er werkelijk in klassen gebeurt (in plaats van, bijvoorbeeld, hoe leerlingen percipiëren wat er gebeurt). Zij keek daarbij naar de ontwikkeling van de vakspecifieke motivatie onder brugklassers voor de vakken Wiskunde en Nederlands, en de rol die de leeromgeving daarbij speelt. Tien scholen deden mee met ieder twee eerste klassen. Behalve de leerlingen zijn ook de docenten Nederlands en wiskunde betrokken bij het onderzoek.

Projectleider

Naam projectleider
Instelling projectleider
Dr. M.C.J.L. Opdenakker
Rijksuniversiteit Groningen
Relevante link(s)
Gerelateerde projecten

Deze projectendatabase onderwijsonderzoek is in ontwikkeling en zal stap voor stap worden verbeterd. We horen graag uw reactie. Stuurt u deze alstublieft naar: webbeheer@nro.nl.