Exacte vakken internationaal vergeleken, groep 6, basisonderwijs – TIMSS-2011

Projectnummer
411-20-321
Titel
Nederland in TIMSS-2011, groep 6, basisonderwijs
Programma
Organisatie
NRO
Looptijd
1-1-2009 t/m 31-12-2012
Onderwijssector
basisonderwijs
Thema
Domeinspecifieke aspecten van onderwijs en vakdidactiek - natuuronderwijs, Domeinspecifieke aspecten van onderwijs en vakdidactiek - rekenen en wiskunde, Kwaliteitszorg
Status
Afgerond

De dataverzameling van TIMSS (Trends in International Mathematics and Science Study) en PIRLS (Progress in International Reading Literacy Study) vielen in voorgaande onderzoeken in verschillende jaren. In 2011 verliepen de twee onderzoeken eenmalig gelijktijdig. Daardoor zijn de resultaten van PIRLS en TIMSS beschreven in één rapport. Hiermee is een volledig beeld geschetst van de prestaties van negen- en tienjarige Nederlandse leerlingen in de twee hoofdvakken in het basisonderwijs, namelijk lezen en rekenen. De resultaten geven een beeld van de leerprestaties van de leerlingen in het afgelopen decennium in vergelijking met hun leeftijdsgenoten in de andere deelnemende landen.

De beantwoorde nationale onderzoeksvragen van TIMSS-2011 zijn:

  • Hoe presteren Nederlandse leerlingen in groep 6 van het basisonderwijs op de internationale TIMSS-toets voor de exacte vakken, in vergelijking tot de andere deelnemende landen en tot de toetsresultaten van TIMSS-1995, -2003 en -2007?

De Nederlandse groep 6 leerlingen hebben in zowel TIMSS als PIRLS wederom goed gepresteerd. Er zijn zwak presterende leerlingen, maar er zijn ook relatief weinig excellerende leerlingen.

 

  • In hoeverre is leesvaardigheid, rekenvaardigheid en het natuuronderwijsniveau van Nederlandse tienjarige leerlingen – uitgesplitst naar geslacht, herkomst, sociaal-economische achtergrond en demografische context – vergelijkbaar met het niveau van tienjarige leerlingen in de ons omringende landen en wereldwijd, en in hoeverre zijn hierin er veranderingen opgetreden tussen de resultaten in 2011 en de voorgaande metingen (PIRLS-2001, -2006 en TIMSS-1995, -2003 en -2007)?

Verschillen in toetsprestaties: In Nederland zijn meisjes significant beter in lezen dan jongens, maar de voorsprong van meisjes is relatief klein (slechts 8 punten ten opzichte van 16 internationaal gemiddeld). Voor rekenen zijn de sekseverschillen ten opzichte van 2007 kleiner geworden; meisjes zijn er iets meer op vooruitgegaan dan jongens. Voor natuuronderwijs is de voorsprong van jongens op meisjes tussen 2007 en 2011 nagenoeg gelijk gebleven. In alle drie de vakgebieden hebben allochtone leerlingen beduidend minder goed gepresteerd dan autochtone leerlingen. In Nederland presteren scholen op het platteland beter dan scholen in een stad.

Verschillen in attituden en zelfvertrouwen: de attitude van Nederlandse leerlingen ten opzichte van lezen, rekenen of natuuronderwijs is niet uitgesproken negatief, maar ook niet uitgesproken positief. Meisjes hebben iets meer plezier in lezen en lezen ook vaker dan jongens. Meisjes en jongens verschillen echter niet in de mate van zelfvertrouwen. Jongens hebben meer vertrouwen in hun eigen rekenvaardigheden dan meisjes. Dit komt overeen met de sekseverschillen in rekenprestaties. Voor natuuronderwijs zijn er geen sekseverschillen; noch voor attitude noch voor zelfvertrouwen.

 

  • In hoeverre is de TIMSS-toets van 2011 geschikt voor het meten van het Nederlandse beoogde en uitgevoerde curriculum in groep 6?

Zowel voor rekenen als natuuronderwijs past de TIMSS-toets redelijk goed bij het beoogde en uitgevoerde curriculum.

 

  • Hoe zien school-, klas- en leerlingfactoren, waarvan wordt aangenomen dat zij van invloed zijn op onderwijsopbrengsten, er uit in Nederland en in hoeverre doen zich in deze factoren verschuivingen voor vergeleken met 1995, 2003 en 2007?

In het kader van TIMSS en PIRLS zijn de onderzochte vakspecifieke contextkenmerken onderwijstijd, betrokkenheid van de leerling bij de les en geletterdheid en gecijferdheid van leerlingen vóór groep 3.

  1. Onderwijstijd: Zowel voor taallessen (inclusief leesvaardigheid) als voor natuuronderwijs geldt dat de hoeveelheid tijd die aan deze vakgebieden per week wordt besteed, in 2011 is toegenomen ten opzichte van eerdere metingen. Voor rekenen ligt de bestede tijd in 2011 maar net iets hoger dan in de metingen ervoor. Het percentage tijd dat aan rekenen wordt besteed, uitgedrukt in de totale beschikbare onderwijstijd, is vergelijkbaar met het internationaal gemiddelde. In het internationale rapport staat Nederland bijna onderaan voor wat betreft het totaal aantal uren natuuronderwijs per jaar. In Nederland is huiswerk veel minder gangbaar in internationaal perspectief bezien.
  2. Betrokkenheid bij de les: Nederlandse leerlingen zeggen redelijk betrokken te zijn bij de les, maar ze lijken minder betrokkenheid te tonen dan hun leeftijdsgenoten in veel andere landen.
  3. Geletterdheid en gecijferdheid begin groep 3: Ondanks de vooruitgang met betrekking tot beginnende geletterdheid, scoort Nederland internationaal gezien nog steeds relatief laag. Dit is voor rekenen niet veel beter.

Hiernaast zijn vakspecifieke contextkenmerken (lesactiviteiten leesvaardigheid; lesactiviteiten rekenen en natuuronderwijs;  thuissituatie voor leesvaardigheid; kennis en vaardigheden leerkrachten in rekenen en natuuronderwijs)  alsmede vakoverstijgende kenmerken (voorzieningen op de scholen; schoolleiderschap en schoolbeleid; ouderbetrokkenheid; leerklimaat) onderzocht .

Voor uitgebreide toelichting op de resultaten zie het eindrapport bij de publicaties hieronder.​


Projectleider

Naam projectleider
Instelling projectleider
Dr. M.R.M. Meelissen
Universiteit Twente
Relevante link(s)
Gerelateerde projecten

Deze projectendatabase onderwijsonderzoek is in ontwikkeling en zal stap voor stap worden verbeterd. We horen graag uw reactie. Stuurt u deze alstublieft naar: webbeheer@nro.nl.