Onderwijsachterstandenbeleid op voorschool en basisschool

Projectnummer
413-12-017
Titel
Van voorschools tot en met groep 8: thema's uit het onderwijsachterstandenbeleid onderzocht
Programma
Beleidsgericht onderzoek primair onderwijs (BOPO)
Organisatie
NRO
Looptijd
01-06-2013 t/m 30-09-2015
Onderwijssector
vve, po
Thema
Beleid en bestel, Differentiatie en omgaan met verschillen, Leren en onderwijzen, Maatschappelijke context van het onderwijs, Segregatie en achterstandsbestrijding
Status
Afgerond

In een breed onderzoeksprogramma zijn verschillende vragen onderzocht die betrekking hebben op implementatie en werking van het onderwijsachterstandenbeleid. Twee hoofdvragen zijn onderscheiden:

1. Werkt het onderwijsachterstandenbeleid zoals bedoeld? 
De belangrijkste uitkomsten zijn:

  • De middelenverdeling met als hoofdcriterium de opleiding van ouders voldoet nog aan de bedoelingen, maar verdient aanvullingen en (voor de voorschoolse fase) kritische reflectie. Of de beschikbare middelen ook altijd voor de juiste kinderen worden ingezet, is echter niet zeker.
  • Autochtone achterstandsleerlingen hebben nog voldoende potentieel in zich om betere onderwijsresultaten te kunnen behalen. Een combinatie van maatregelen zou deze kinderen daarbij kunnen helpen. Er is namelijk niet één oorzaak; een combinatie van factoren draagt bij aan het ontstaan en in stand houden van de achterstand. Die factoren verschillen nog tussen stad en platteland; daar zou in het beleid rekening mee gehouden moeten worden.
  • De implementatie van de Wet OKE verloopt binnen gemeenten volgens de beleidsbedoelingen, maar er zijn wel zorgen over aanpassingen in het overheidsbeleid die de continuïteit bedreigen.
  • De ruimte die gemeenten hebben om eigen doelgroepdefinities te hanteren voor VVE maakt het mogelijk die definities af te stemmen op de lokale situatie. Tegelijk leidt deze ruimte tot een variatie in doelgroepbepaling die evaluatie van VVE-beleid bemoeilijkt en tot onhelderheid over de relatie tussen deze definities en de VVE-doelen.

2. Welke invloed gaat er uit van de gelijktijdige aanwezigheid van verschillende doelgroepen van beleid op het handelen van leidsters en leerkrachten? Zijn zij in staat om vorm te geven aan een differentieel aanbod?
De belangrijkste uitkomsten zijn:

  • Gelijktijdige aanwezigheid van verschillende doelgroepen in de klas is niet bedreigend voor de onderwijsopbrengsten; dit is een indirecte aanwijzing dat het leerkrachten lukt om met diverse klassen om te gaan.
  • Leidsters in voorschoolse voorzieningen achten zichzelf goed in staat achten om kinderen met een ‘gewone’ achterstandsindicatie van een goed aanbod te voorzien. Dat geldt niet voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte. Op dit punt vinden leidsters dat ze onvoldoende zijn opgeleid en dat ze beschikken over onvoldoende tijd en middelen. Om ook deze kinderen de nodige stimulans te kunnen geven, vinden zij ondersteuning noodzakelijk van interne en externe professionals.​

Projectleider

Naam projectleider
Instelling projectleider
Drs. G. Ledoux
Universiteit van Amsterdam

Deze projectendatabase onderwijsonderzoek is in ontwikkeling en zal stap voor stap worden verbeterd. We horen graag uw reactie. Stuurt u deze alstublieft naar: webbeheer@nro.nl.