Excellentie in het hoger onderwijs: selectie, effectiviteit en uitstralingseffecten

Onder excellentiebeleid verstaan we maatregelen waarmee gestreefd wordt naar het bevorderen van een hoger dan gemiddeld kwaliteitsniveau in hoger onderwijs. Vergeleken met andere Europese landen zijn excellentietrajecten in Nederland sterk ontwikkeld. Toch waren een aantal belangrijke vragen over excellentieprogramma's tot voor kort nog onbeantwoord. Wat leren studenten van deelname aan excellentieonderwijs, wat hebben ze hieraan op de arbeidsmarkt, en hebben hogeronderwijsinstellingen als geheel baat bij het hebben van excellentieonderwijs? Ons onderzoek richt zich op verschillende aspecten van deze vragen.

Allereerst willen we meer zicht krijgen op de effecten van deelname aan excellentieprogramma's, en op de rol van het selectieproces voor deze programma's. Een van de problemen bij het vaststellen van deze effecten is dat de geselecteerde studenten al voordat ze aan hun excellentieprogramma beginnen een bijzondere, selectieve groep zijn. In een kwantitatieve analyse is bekeken of studenten die deelnamen aan excellentieprogramma's een sterkere groei hebben doorgemaakt dan studenten die niet hieraan deelnamen, rekening houdend met verschillen in de beginsituatie. We vinden dat studenten die deelnamen aan excellentieprogramma's zich zowel cognitief als non-cognitief positief ontwikkeld hebben, maar dat ze hierin niet wezenlijk verschillen van studenten in het regulier onderwijs, die een vergelijkbare groei doorgemaakt hebben. De resultaten hebben wel duidelijker in beeld gebracht dat studenten die deelnamen aan excellentieprogramma's al bij de start van het programma beter scoorden op de meeste cognitieve en non-cognitieve uitkomstmaten dan studenten in het regulier onderwijs. Dit suggereert dat de belangrijkste verschillen tussen beide groepen al op het moment van selectie voor de excellentieprogramma's aanwezig waren. Binnen de groep studenten die deelnamen aan excellentieprogramma's vinden we geen instrumenten in het selectieproces die voorspellende waarde hebben voor het succesvol afronden van het excellentieprogramma. De resultaten laten wel zien dat meer uren werken naast de studie de kans verkleint op succesvolle afronding van een excellentieprogramma.

Daarnaast was er nog onduidelijkheid over de arbeidsmarkteffecten van excellentieprogramma's. Op basis van een twintigtal diepte-interviews met HR-professionals gingen we na of excellentieonderwijs – in samenhang gezien met andere onderwijskeuzes (buitenlandervaring en bestuurservaring) – voordeel oplevert in de werving, en zo ja waarom. Resultaten laten zien dat ook recruiters vaak nog niet geheel bekend zijn met excellentieonderwijs. Ze associëren desalniettemin wel bepaalde vaardigheden en eigenschappen met excellentieonderwijs (en andere onderwijskeuzes). Deze geassocieerde vaardigheden en persoonlijkheidseigenschappen kunnen invloed hebben op werving. Dit betekent dat het volgen van excellentieonderwijs een arbeidsmarkteffect kan hebben omdat het alumni van excellentieprogramma's in de werving een streepje voor geeft. Ook belangrijk is dat de aantrekkelijkheid en relevantie van excellentieonderwijs sterk afhankelijk is van de functie en de organisatie (bijv. meer relevant voor startersfuncties bij de overheid en academische instellingen). Over het algemeen wordt echter excellentieonderwijs – in vergelijking met buitenlandervaring en bestuurservaring – vaak niet als belangrijkste onderwijskeuze met betrekking tot de werving gezien.

Tot slot bekijken we de uitstraling van het excellentieonderwijs op de organisatie en het reguliere onderwijs. Hoe kunnen didactische concepten, benaderingen en ervaringen uit het excellentieonderwijs breder worden ingezet en verspreid binnen de hogeronderwijsinstellingen? Naast verzamelen van inzichten van staf, docenten en studenten van de betrokken instellingen (van binnen en buiten de excellentietrajecten) is ook met behulp van documenten van de instellingen gevolgd welke veranderingen er in het onderwijs plaatsvinden. Het blijkt dat de 'directe weg' via de betrokken docenten de meest voorkomende uitstralingsroute is; gebruikmaking daarvan door docenten bij regulier onderwijs betrokken te houden is een veelbelovende manier om uitstraling te verkrijgen. Instellingen belijden namelijk vaak wel de proeftuinfunctie, maar zetten weinig concrete beleidsinstrumenten daarvoor in. Organisatorische ondersteuning door een onderwijskundige eenheid lijkt belangrijk om uitstraling te stimuleren. Commitment vanuit de leiding van de instelling is een ander belangrijk element. Eigen fysieke ruimtes helpen communityvorming onder betrokken studenten en docenten, en ze leveren zichtbaarheid voor de buitenwereld.

Download de factsheets

Download de rapportages

​Onderzoek door: prof. dr. Rolf van der Velden (UM/ROA) met dr. Jim Allen & dr. Ellen Bastiaens (beiden UM/ROA), prof. dr. Miko Elwenspoek em. (UT), prof. dr. Harm Hospers (UM), drs. Marieke Isendam (HAN), prof. dr. Maarten Wolbers & drs. Bianca Leest (beiden ITS/RU), prof. dr. Hans Vossensteyn, dr. Ben Jongbloed & dr. Don Westerheijden (allen Center for Higher Education Policy Studies/UT).

Links