Op zoek naar nieuw financieel verdeelmodel voor lwoo en praktijkonderwijs

Hoe kunnen de middelen voor lwoo en praktijkonderwijs het beste verdeeld worden over de samenwerkingsverbanden passend onderwijs? De verwachte behoefte aan lwoo en praktijkonderwijs blijkt ongelijk verdeeld over het land. In het voortgezet onderwijs is echter geen sprake van volledige ‘compensatie’ voor deze regionale verschillen vanuit ander beleid. In de verdeling van middelen over de samenwerkingsverbanden, moeten daarom de regionale verschillen in het sociaal milieu van leerlingen worden meegenomen. 

De invoeging van lwoo en praktijkonderwijs in passend onderwijs leidt tot een heroverweging van de wijze van bekostiging hiervoor (ook wel de ‘lichte ondersteuning’ genoemd). Eerder gebeurde dat al voor de verdeling van middelen voor het (voortgezet) speciaal onderwijs (de ‘zware ondersteuning’), waarvoor een ‘compensatie’ werd vastgesteld in de vorm van het onderwijsachterstandenbeleid. Onderzoekers van KBA Nijmegen, Bureau Turf en het Kohnstamm Instituut gingen voor het ministerie van OCW op zoek naar een nieuwe bekostigingssystematiek voor de lichte ondersteuning.

Op zoek naar verdeelmodel

In het onderzoek is de vraag gesteld wat het best mogelijke financiële verdeelmodel is voor lwoo en praktijkonderwijs. Wat uiteindelijk het beste verdeelmodel is, hangt af van verschillende factoren en criteria. Los van de meer operationele voorwaarden waaraan een model zou moeten voldoen, is het belangrijkste dat het verdeelmodel recht doet aan de doelen van het praktijkonderwijs en van de leerwegondersteuning. Een toekomstig verdeelmodel moet ervoor zorgen dat de middelen daar terecht komen waar er behoefte bestaat aan lwoo en praktijkonderwijs. Er zijn twee manieren van kijken om te bepalen hoe groot de behoefte (per samenwerkingsverband) aan lwoo en aan praktijkonderwijs is, namelijk gebaseerd op ‘gebruik’ of gebaseerd op ‘behoefte’.

‘Gebruik’ is geen goede maatstaf

Uit het onderzoek blijkt dat het percentage lwoo- en praktijkonderwijsleerlingen verschilt per samenwerkingsverband. De verdeling komt nu gedeeltelijk tot stand op basis van ‘oneigenlijke’ factoren, zoals culturele verschillen of verschillende manieren om met aanvragen om te gaan. Hierom kan de bestaande verdeling niet gebruikt worden om te beoordelen of de behoefte aan lwoo en praktijkonderwijs al dan niet goed verdeeld is over de samenwerkingsverbanden. Het feitelijk gebruik, zowel huidig als toekomstig, is geen goede maatstaf voor bepaling van de verdeling van middelen.

Verwachte behoefte ongelijk verdeeld

Er blijkt geen bruikbare methode te zijn om de geobjectiveerde behoefte aan lwoo en praktijkonderwijs via directe meting vast te stellen. Het alternatief is indirecte meting van behoefte. Deze methode meet niet de eigenlijke behoefte zelf, maar een factor waarvan bekend is dat die sterk samenhangt met de behoefte. Zowel in de Nederlandse als internationale onderzoeksliteratuur is brede consensus over de relatie tussen de kans op leerachterstand en bepaalde risicofactoren in het ouderlijk milieu van de leerling. Twee methoden voor bepaling van het ouderlijk milieu laten zien dat er sprake is van een ongelijke verdeling over het land van kenmerken van het ouderlijk milieu – en daarmee dus ook van de verwachte behoefte aan lwoo en praktijkonderwijs. 

Uitwerkingsopties

De verwachte behoefte aan lwoo en praktijkonderwijs is dus ongelijk verdeeld over het land, en in het voortgezet onderwijs is er voor deze vorm van ondersteuning geen sprake van volledige ‘compensatie’ voor de regionale verschillen in ander beleid. In een nieuw verdeelmodel moet daarom zijn van een weging naar verwachte behoefte. Het rapport geeft twee opties voor de uitwerking van een verdeelmodel met gewogen verdeling.

Eimers, T., Kennis, R. & Voncken, E. (2016), Naar een nieuwe bekostigingssystematiek voor lwoo en praktijkonderwijs. Nijmegen: KBA Nijmegen.

Meer informatie