Pedagogische Studiën 90 jaar

Het tijdschrift Pedagogische Studiën kent dit jaar de 90e jaargang. Het blad startte weliswaar in 1919, maar enkele jaargangen in de tweede wereldoorlog vielen uit. Het laatste nummer van deze jubileumjaargang kijkt hier op een bijzondere manier op terug. Niet alleen is er een algemene beschouwing over deze 90 jaar te vinden bij wijze van inleiding, ook zijn er vier artikelen uit eerdere jaargangen in opgenomen. Die worden vervolgens van hedendaags commentaar voorzien.

Nieuwe technologieën in 1923
Zo is er het intrigerende artikel “Over de didactische waarde van de projectielantaarn en de bioskoop” van de hand van G. Révész en J.F. Hazewinkel uit 1923 in verkorte vorm. Zij beredeneren hierin niet alleen mogelijke voor- en nadelen van projectie van stilstaande platen (“projectielantaarnplaatjes”) tegenover de film (“kinematogram”), maar voeren ook een vergelijkend onderzoek onder tachtig 13-, 14- en 15-jarige leerlingen van het Amsterdamsch Lyceum. Films en lantaarnplaatjes over het leven van de Bataks in Sumatra, de theecultuur, de rubbercultuur, de omgeving van Buitenzorg en de rijstbouw op Java werden welwillend ter beschikking gesteld door het Koloniaal Instituut te Amsterdam.

Meting van wat er was blijven hangen na een week, wees uit dat de hoofdzaken, en over het algemeen ook de bijzaken, beter onthouden werden door het tonen van dia’s dan door een film. De schrijvers relativeren hun bevindingen overigens door erop te wijzen dat dit onderzoek de waarde van film niet ontkent, maar wel dat propaganda van het nieuwe medium zonder enig voorbehoud niet te rechtvaardigen is.

In zijn beschouwing naar aanleiding van dit artikel merkt J. Elen terecht op dat de methodologische waarde van het onderzoek nu niet meer tot plaatsing in Pedagogische Studiën zou leiden, maar dat overigens het artikel verrassend actuele aspecten kent. In mijn woorden samengevat gaat het dan om:

  • het kritisch beschouwen van het gebruik van nieuwe technologie;
  • het zoeken naar een doorslaggevend onderzoeksontwerp om de effecten van de inzet van diverse media daadwerkelijk te meten;
  • een voorbeeld van onderzoek in de praktijk met relevantie voor de praktijk.

90 jaar praktijkrelevantie
Ook de overige artikelen uit het verleden geven stof tot overpeinzing voor de hedendaagse lezer. Zo publiceert J.H. Gunning in 1925: “Welke houding moet een vooruitstrevend onderwijzer aannemen tegenover nieuwe theorieën en praktijken. Naar het Engelsch van Stuart Grayson Noble”. Als reactie op “Het meisje op zoek naar haar onderwijs” van M.J. Langeveld uit 1947 vinden we “Meisjes hebben hun onderwijs gevonden, nu de jongens nog” van M. Volman. De titels spreken voor zich.

Deze uitgave van Pedagogische Studiën laat goed zien welke thema’s voorkwamen in de afgelopen eeuw. Een rode draad daarin is de worsteling over de relatie tussen onderwijsonderzoek en praktijk met vragen als:

  • Wat betekent praktijkrelevantie voor de samenstelling van de redactie?
  • In hoeverre dienen toon en inhoud afgestemd te zijn op docenten?

Pedagogische Studiën heeft nu gekozen voor een academische setting en kleur. Het tijdschrift is zelfs opgenomen in de Science Citation Index. Dat maakt de vraag naar praktijkrelevantie voor een tijdschrift voor onderwijsonderzoek natuurlijk niet minder. Dat dit nu ook nog gebeurt, blijkt uit recente publicaties: een speciaal nummer in 2012 over de relatie tussen onderwijs en onderzoek bijvoorbeeld (89-6) en in 2013 een nummer gewijd aan het in Nederland zeer relevante onderwerp van zittenblijven (90-3).

Voor het NRO dat de verbinding van onderzoek en praktijk in Nederland als missie heeft, blijft dit tijdschrift van waarde.

Jelle Kaldewaij, 18 december 2013

U kunt aan dit blog geen rechten ontlenen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *