PISA in vergelijking

Op dinsdag 3 december werden internationaal de opbrengsten van de PISA-metingen gepubliceerd. Uiteraard trok dat de nodige aandacht: waar staat Nederland in de rangorde en hoe zijn de resultaten in vergelijking met het verleden?

Op dinsdag 3 december werden internationaal de opbrengsten van de PISA-metingen gepubliceerd. Uiteraard trok dat de nodige aandacht: waar staat Nederland in de rangorde en hoe zijn de resultaten in vergelijking met het verleden?

overhandiging_web

Zie voor commentaar bijvoorbeeld Pedro de Bruyckere in: Pisa 2012 in perspectief (resultaten en enkele bedenkingen). Vorig jaar verschenen al de resultaten van PIRLS en TIMSS (over tienjarigen) en recent die van PIAAC (over volwassenen van 16 tot 65 jaar). PISA heeft vijftienjarigen onderzocht. De onderzoeken hebben met elkaar gemeen dat ze vaardigheden meten op het terrein van taal en rekenen. Als je ze naast elkaar legt vallen enkele overeenkomsten en verschillen te ontdekken, evenals mogelijkheden voor vervolgonderzoek. Ik haal de volgende naar voren.

Excellentie
Opvallend in de verschillende onderzoeken zijn de resultaten voor de hoogst presterende groepen. Uit PIRLS, TIMSS en PISA kan geconcludeerd worden dat de slimste Nederlandse leerlingen niet voldoende worden uitgedaagd: je zou een grotere spreiding van prestaties aan de bovenkant verwachten dan nu het geval is. Het beleid dat is ingezet om juist aan de meer excellente leerlingen aandacht te besteden kan van hieruit worden gerechtvaardigd. In de PIAAC-resultaten zien we dit resultaat evenwel niet terug: Nederland scoort verhoudingsgewijs buitengewoon goed in taal, rekenen en probleemoplossend vermogen en dat geldt ook voor de slimmere Nederlanders.

Het vereist nader onderzoek om dit verschil te verklaren. Een plausibele veronderstelling is dat leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs niet genoeg worden uitgedaagd, en daarna (in het hoger onderwijs en in het (werkzame) leven) wel meer worden uitgedaagd.

Differentiatie
Een ander punt van aandacht betreft de verdeling van vaardigheden tussen jongens en meisjes. De resultaten uit PISA, PIRLS en TIMSS laten zien dat in Nederland meisjes over het algemeen beter presteren dan jongens in leesvaardigheid, terwijl jongens een voorsprong hebben in rekenen. Bij PIAAC blijkt, dat gemiddeld mannen beter scoren dan vrouwen in leesvaardigheid. Ook hiervoor zou een verklaring gezocht kunnen worden in de manier waarop deze vakken worden aangeboden. De verwachting is gewettigd dat in de toekomst de leerlingpopulatie gedifferentieerder zal worden in de klassen van het voortgezet onderwijs.

Nu al proberen scholen meer leerlingen die speciale zorg behoeven, op te nemen in het regulier onderwijs. Ook door kansen te geven aan meer leerlingen die net een bepaald schooltype aankunnen, ontstaat grotere differentiatie. De nu wederom gesignaleerde noodzaak om getalenteerden meer uit te dagen en om de nu nog zichtbare verschillen in prestaties tussen jongens en meisjes terug te dringen, versterkt deze behoefte aan een meer gedifferentieerde aanpak. En juist bij de vaardigheid van docenten om te kunnen differentiëren heeft de inspectie van het onderwijs zorgen. Hier is werk aan de winkel.

Vervolg
Het NRO heeft in oktober een “call for proposal” uitgezet voor praktijkgericht onderzoek naar differentiatie en overweegt dit thema ook voor meer fundamenteel onderzoek. Dat biedt hopelijk in de nabije toekomst nieuwe inzichten om in te spelen op verschillen tussen leerlingen. Daarnaast volgen uit de confrontatie van de verschillende internationale onderzoeken ook andere vragen voor vervolgonderzoek. Zo zou het mooi zijn als de definitie van “excellentie” voor de verschillende onderzoeken vergelijkbaar gemaakt kan worden.

Nederland scoort relatief goed in deze internationale vergelijkingen, maar we kunnen niet achterover leunen. Bij nadere analyse biedt dit onderzoek prikkelende perspectieven voor onderwijs en vervolgonderzoek.

Achtergrond
Op 4 december organiseerde het NRO een conferentie naar aanleiding van de PISA-resultaten. In deze conferentie konden de resultaten van PISA vergeleken worden met die van PIRLS en TIMSS en de pas gepubliceerde resultaten van PIAAC. De verschillende onderzoeken werden toegelicht door Joke Kordes (PISA), Willem Houtkoop (PIAAC), Ludo Verhoeven (PIRLS) en Martina Meelissen (TIMMS). Wim van der Grift (RUG) legde een relatie met de mogelijkheden en beperkingen binnen het Nederlandse onderwijs en Judith van den Broek (OCW) ging nader in op PISA in relatie tot PIAAC.

Tijdens deze bijeenkomst overhandigde onderzoekscoördinator Joke Kordes (Cito) de samenvatting van het rapport over Nederland ‘Resultaten PISA-2012 in vogelvlucht. Praktische kennis en vaardigheden van 15-jarigen’ aan aan de directeur VO van OCW, Henk Post (zie foto).

De discussie met deze en collega-onderzoekers van internationale vergelijkingen op het gebied van onderwijsprestaties en ook met betrokken medewerkers van OCW gaf een rijk scala aan gezichtspunten en mogelijkheden tot vervolgonderzoek.

Jelle Kaldewaij, 6 december 2013

– bekijk het nieuwsbericht van Cito over de resultaten PISA-2012
meer resultaten van PISA (2003 – 2012)

U kunt aan dit blog geen rechten ontlenen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *