Professionalisering niet, praktijkgericht onderzoek wel subsidiëren

“Stop met financieren van praktijkgericht onderzoek” is de titel van de column van Ferry Haan in Onderwijsinnovatie juni 2018 (p.16) waarin hij het NRO oproept dit soort onderzoek niet meer te financieren. Opmerkelijk genoeg lijken zijn opvattingen voor een groot deel te sporen met die van het NRO, maar ons inziens leidt dit tot een diametraal andere conclusie: zet subsidies voor praktijkgericht onderzoek vooral door.

Over één zaak zijn Ferry en ik het helemaal eens: professionalisering dient niet uit subsidies van het NRO betaald te worden. Daarvoor is er financiering binnen de scholen zelf en zijn er aparte subsidies zoals de lerarenbeurs. Ook zijn we het erover eens dat wat het NRO subsidieert, moet bijdragen aan de kennisbasis over onderwijs. Waar zit dan de verwarring?

Wetenschappelijke eisen

Een van de oorzaken van dit meningsverschil zie ik in de definiëring van praktijkgericht onderzoek. Ferry haalt een lector aan die beweert dat het opbouwen van kennis niet het belangrijkste doel is van praktijkonderzoek en relateert dit aan eisen van het NRO waarin aandacht gevraagd wordt voor kennis en tools die direct ingezet kunnen worden voor het onderwijs. Hij ziet kennelijk niet dat het NRO ook aan praktijkgericht onderzoek wetenschappelijke eisen stelt.

‘Onderzoek’ wordt in diverse betekenissen gebruikt in het onderwijs. Het NRO onderscheidt nu:

  • Een onderzoekende houding van docenten: het vermogen om kritisch en systematisch naar het eigen functioneren te kijken én de vaardigheid om relevante kennis op te zoeken indien nodig.
  • Praktijkonderzoek: onderzoek binnen de eigen klas of school, bijvoorbeeld ter verbetering van de kwaliteit; niet per se leidend tot inzichten waar andere scholen iets aan hebben.
  • Praktijkgericht onderzoek: onderzoek waarvan de vraagstelling wordt ingegeven door en geformuleerd wordt met de onderwijspraktijk en wordt uitgevoerd in en met die praktijk. Praktijkgericht onderzoek levert kennis, inzichten en/of concrete producten die bijdragen aan de ontwikkeling van de onderwijspraktijk (door schoolontwikkeling en professionalisering) en aan het vergroten van de wetenschappelijke kennisbasis over onderwijs.
  • Beleidsgericht onderzoek: onderzoek gericht op inzichten die relevant zijn voor het beleid en bestel van het onderwijs.
  • Fundamenteel onderzoek: nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek waarvan de vraagstelling (mede) is ingegeven door wetenschappelijke ontwikkelingen ten aanzien van onderwijs.

Zie voor een uitgebreidere beschrijving van deze soorten gebruik de notitie Diverse soorten onderzoek: waarde en betrokkenen.
De laatste drie soorten onderzoek dienen wetenschappelijk van aard zijn: praktijkgericht, beleidsgericht en fundamenteel onderzoek. Er zijn

alleen verschillen in doelstelling en in vorm: bij praktijkgericht onderzoek wordt gestart met vragen uit de praktijk.

Aan de ene kant zou je kunnen stellen dat het wat onzorgvuldig is om op deze heterogene activiteiten allemaal het predicaat ‘onderzoek’ te plakken. Aan de andere kant heeft dit ook positieve kanten, omdat de verschillende soorten onderzoek elkaar kunnen versterken. Zo hopen en verwachten wij, dat een onderzoekende houding ertoe leidt dat er belangstelling is voor wat er over bepaalde vraagstukken wetenschappelijk is onderzocht.

Subsidiewaardig

Het NRO trekt in ieder geval een duidelijke grens in subsidieverstrekking: alleen wanneer het onderzoek leidt tot inzichten waar anderen dan de direct bij het onderzoek betrokken onderwijsprofessionals iets aan kunnen hebben, is het subsidiewaardig.

Ferry Haan noemt enigszins terloops de kloof tussen onderzoek en praktijk. Wij zien het als een centrale opdracht om die te overbruggen. Juist door aan de voorkant scholen bij het onderzoek te betrekken en betrokken te houden tijdens het onderzoek, zien we de verbindingen tussen onderzoek en praktijk groeien. Resultaten van onderzoek blijven zo niet meer in de bureaula van de schoolleider liggen; samenwerking met docenten tijdens het onderzoek geeft aanleiding tot bezinning over en toepassingen in de praktijk.

Relevante kennis

Er blijft inmiddels nog wel het nodige te wensen over. We zien dat het budget van het NRO te beperkt is om alle vragen uit ons programma aan de orde te laten komen. We begrijpen de frustratie van onderzoekers die goede voorstellen indienen, maar vanwege die beperkte middelen toch een afwijzing ontvangen. Ook zien we interessante onderzoeksvragen naar boven komen die niet direct gerelateerd kunnen worden aan vraagstukken van scholen; dit vereist een nadere reflectie op mogelijke combinaties van fundamenteel en praktijkgericht onderzoek.

We zien de oplossing hiervoor niet in een verschuiving van gelden van praktijkgericht naar fundamenteel onderzoek; daarvoor levert het praktijkgericht onderzoek dat aan kwaliteitsstandaarden voldoet teveel voor het onderwijsveld relevante kennis op.

Jelle Kaldewaij, directeur NRO