Tussenrapportage Evaluatie en monitoring wet toelatingsrecht mbo – juli 2019

Vanaf 1 augustus 2017 is de wet ‘Vroegtijdige aanmelddatum en toelatingsrecht tot het mbo’ in werking getreden. De nieuwe wet introduceert een set maatregelen, waaronder de aanmelddatum van 1 april, voorschriften voor procedures en informatievoorziening, het toelatingsrecht voor aankomende studenten, voorwaarden waaronder dat toelatingsrecht geldt en het verplichte bindend studieadvies in het eerste jaar van de opleiding. Gelijk met de invoering van de nieuwe wet is een meerjarig onderzoek gestart om de implementatie en gevolgen van de wet te monitoren en evalueren. In de eerste tussenrapportage is vooral gekeken naar de eerste, directe effecten van de invoering van de wet.

De nieuwe wet leidt tot aanpassingen in procedures en veranderingen in bewustzijn, maar het is nog te vroeg om al uitspraken te doen over realisatie van doelen die met de wet worden beoogd. Hoewel de wettelijk verplichte procedures veelal door de mbo-scholen zijn doorgevoerd, moet de werkelijke impact van de wet op het gedrag van vmbo-scholen, aankomende studenten en mbo-scholen in de komende jaren nog blijken.

Eerste meting: (nog) geen grote gevolgen

Op basis van de gegevens die tijdens de eerste meting beschikbaar waren, zijn (nog) geen grote gevolgen vast te stellen van de vroegtijdige aanmelddatum. Er zijn aanwijzingen dat bij bepaalde mbo-scholen het aantal vroege aanmeldingen is gestegen, maar vaak geldt dat vmbo- en mbo-scholen in de regio al eerder afspraken hadden gemaakt om de aanmelding te vervroegen. Vmbo-scholen zijn, zo blijkt uit het onderzoek, goed betrokken bij de invoering van de vroegtijdige aanmelddatum in het mbo en goed op de hoogte van het toelatingsrecht. Het onderzoek wijst verder uit dat de meeste mbo-instellingen aankomende studenten via hun website op de hoogte stellen over hun toelatingsbeleid en -procedures.
Informatie over het studiekeuzeadvies is echter niet altijd voldoende duidelijk en over het toelatingsrecht niet altijd zorgvuldig en correct. Het is aannemelijk dat de implementatie van dit aspect van de wet verder verbetert naar mate instellingen meer kennis en ervaring opdoen.

In het vervolg van het onderzoek komen de gegevens over aanmeldingen en inschrijvingen van deelnemende mbo-instellingen beschikbaar voor analyse. Daarover wordt gerapporteerd in het tweede deel van de tussenrapportage (te verschijnen eind 2019).

Numerus fixus

Bij opleidingen waarvoor een numerus fixus geldt, zijn specifieke toelatingsprocedures van toepassing en is een vooraf bepaald, beperkt aantal plaatsen beschikbaar. Het aantal opleidingen met een numerus fixus varieert per instelling van 0 tot 75. Bij de helft van de instellingen komen geen of slechts enkele opleidingen met numerus fixus voor. Er is in 2018-2019 geen sprake van een duidelijke stijging of daling van het aantal opleidingen met numerus fixus en de veranderingen die optreden, zijn volgens de scholen, meestal geen gevolg van de nieuwe wet.

Verplichte intake voor nieuwe studenten

Veruit de meeste mbo-scholen hanteren een verplichte intake voor nieuwe studenten. Er is sprake van een breed en sterk bewustzijn dat de invoering van het toelatingsrecht de functie van de intake heeft veranderd. Scholen hebben hun beleid en procedures hierop aangepast: veelal is een accentverschuiving te zien waarbij de nadruk van de intake meer komt te liggen op kennismaking en bepaling van eventuele ondersteuningsbehoefte en minder op bespreking van motivatie en geschiktheid. Niettemin speelt ook in de huidige intakeprocedures toetsing van motivatie en geschiktheid van de student nog steeds een rol. De meeste opleidingen kennen de mogelijkheid om aankomend studenten een negatief advies voor de opleiding te geven en maken hier ook (in beperkte mate) gebruik van.

Duidelijk is dat scholen soms worstelen met hun verantwoordelijkheid om de student goed te adviseren en het wettelijke recht op toelating van de student. Dat geldt in het bijzonder voor specifieke groepen en de situatie, waarbij men de vooropleiding niet altijd voldoende acht om succesvol aan de gekozen opleiding te beginnen.

Het onderzoek laat verder zien dat het advies om niet de opleiding van keuze te gaan volgen weliswaar vaak, maar niet altijd opgevolgd wordt door de student. Incidenteel doet de student daarbij expliciet beroep op het toelatingsrecht en slechts sporadisch komt het bij scholen tot klachten of procedures op dit punt.

Vervolg

Het vervolg van het onderzoek moet uitwijzen in hoeverre de ontwikkelingen rondom de intake en het toelatingsrecht samenhangen met de wijze waarop de mbo-instellingen omgaan met een ander belangrijk onderdeel van de wet, het bindend studieadvies.
.