Werkwijze NRO is gericht op objectieve beoordeling

In april 2014 werd bekend welke projecten een subsidie krijgen van het NRO voor de eerste ronde ‘Kortlopend praktijkgericht onderwijsonderzoek’. Dat dit niet onopgemerkt is gebleven is mooi: onderwijsadviseur Jo Kloprogge vergelijkt in zijn blogpost van 6 mei de werkwijze van het NRO met die van OCW.

Terecht constateert hij dat het NRO zijn vraagstelling open houdt. Met opzet wordt deze enigszins globaal gehouden, zodat scholen die indienen, binnen het gegeven thema, hun eigen onderzoeksvragen kunnen formuleren. Want – een ander belangrijk verschil in werkwijze – de aanvragen konden alleen worden ingediend door consortia van scholen en onderzoeksinstellingen. OCW heeft ook andere doelstellingen met het onderzoek: bij het NRO gaat het om praktijkgericht onderzoek. Daarbij: OCW is opdrachtgever, het NRO subsidie-verstrekker. Een goede vergelijking is daarom eigenlijk niet te maken.

Gelijke kansen
Jo Kloprogge vraagt zich verder af of iedereen een gelijke kans maakt bij het NRO. Onze werkwijze, gebaseerd op die van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek NWO, is erop gericht die gelijke kans in elk geval zo goed mogelijk te waarborgen. Inderdaad staat een subsidieronde ook open voor de experts die een fase eerder al meewerkten aan het opstellen van het programma of de call for proposals. Het alternatief is dat we deze mensen uitsluiten van indiening. Dat lijkt ons geen verbetering ten opzichte van de huidige aanpak.

Beoordeling van voorstellen
Aan de beoordelingsprocedure besteden we vervolgens de nodige tijd en aandacht. Te beginnen met de samenstelling van de beoordelingscommissie waarin zowel de praktijk (leden werkzaam in scholen) als de wetenschap (niet alleen universitair, maar ook uit het hbo en uit andere onderzoeks-/ ondersteunings-instellingen) is vertegenwoordigd. Alle aanvragen werden in gelijke mate door wetenschappelijke en praktijkleden beoordeeld.

Zoals gebruikelijk bij NWO werden de leden van de drie beoordelingscommissies (bestaande uit respectievelijk 10, 12 en 16 personen) scherp gecontroleerd op betrokkenheid. Dit alles om voorkeuren voor bepaalde typen onderzoek of bepaalde onderzoekers te neutraliseren. Ook bij het NRO zijn we ons ervan bewust dat in ons kleine landje iedereen elkaar kent; onze werkwijze ondervangt dit zo veel als mogelijk. Bij elke ronde blijven we hierop bedacht en zoeken we naar passende oplossingen.

Samenwerking praktijk en wetenschap
Ook tot onze verrassing bleken vooral consortia met universiteiten goed te scoren. Kennelijk slaagden deze er het beste in een goed onderzoeksvoorstel te realiseren: én relevant voor de praktijk én wetenschappelijk verantwoord. Overigens was bij het overgrote deel van de 119 ingediende onderzoeks-voorstellen een universitair medewerker betrokken.

Inmiddels heeft het NRO rondes uitgezet voor beleidsonderzoek, fundamenteel onderzoek en over groen onderwijs. We bereiden rondes voor over meerjarig praktijkgericht onderzoek, de volgende ronde kortlopend onderzoek, en over passend onderwijs. We zijn benieuwd welke onderwijs- en onderzoeksinstellingen hieraan gaan deelnemen.

Jelle Kaldewaij, directeur NRO

2 reacties

  1. Jelle Kaldewaij schreef:

    Wilfried, je vestigt terecht de aandacht op een schijnbare splitsing tussen soorten beoordelaars. In de beoordeling van praktijkgericht onderzoek is ervoor gekozen de beoordelaars uit de praktijk en die uit het onderzoek ieder hun eigen pre-advies te laten geven: de ene over de relevantie van het onderzoek en de andere over de onderzoeksmatige kant. Hier moet echter aan toegevoegd worden dat dit maar een deel van de beoordeling is.
    Naar aanleiding van de pre-adviezen en het weerwoord van het consortium bespreekt de hele commissie (praktijkleden én onderzoekers) in een gezamenlijke vergadering elk voorstel, waarbij iedereen gehoord wordt. De commissieleden stellen vervolgens gezamenlijk het eindoordeel vast. Hier komen de beide gezichtspunten goed bij elkaar.

  2. Wilfried Admiraal schreef:

    Ik wil hierbij een wat mij betreft essentiele aanvulling op de beoordeling door beoordelaars uit praktijk en wetenschap geven. De beide “soorten” beoordelaars geven elk geen volledige beoordeling, maar de beoordelaars uit de praktijk beoordelen de kwaliteit van een voorstel voor de praktijk en de beoordelaars uit de wetenschap beoordelen de kwaliteit voor de wetenschap. Deze werkwijze bevestigt een ongenuanceerd en stereotype beeld van praktijkkennis en kennis van de wetenschap, nog los van het feit dat het lastig is om vast te stellen wie die praktische kennis heeft en wie wetenschappelijk kennis bezit (bij welke groep hoort een docent-onderzoeker uit een school en bij welke groep hoort een praktijkonderzoeker van de universiteit?). Bovendien gaat deze werkwijze voorbij aan wat de NRO graag wil, het verbinden van onderwijspraktijk en wetenschap, dus niet een deelbeoordeling door de een en een andere deelbeoordeling door de ander. Het gaat bij de aanvraag juist om de kwaliteit die een aanvraag brengt op beide vlakken (onderwijs en wetenschap) en die kwaliteit moet als zodanig ook worden beoordeeld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *